Deze avond in DS Avond (2)

Mijn tweede bijdrage aan de rubriek ‘De mening’ op DS Avond:

screenshot_245

 

Wat ik toch steeds mis op 1 mei: een voorman of -vrouw die op een groot plein temidden van een mensenmassa een speech afsteekt die kan wedijveren met die van de grote redenaars uit onze recente en antieke geschiedenis. Een socialist die zich wérkelijk verheft boven de puinhopen van de sociaal-democratie sinds de Val van de Berlijnse Muur. Die zich bekent tot de kunst van het onmogelijke die politiek behoort te zijn. Die zijn gehoor meeneemt naar een toekomst die niet eens zo heel ver weg hoeft te liggen. Iemand die niet de onmiddellijke bevrediging van de bestaande behoeften belooft, maar die een droom heeft die groter is dan dat, groter dan het enkele individu — een droom voor de mensheid.

Ik weet het, ik weet het. Zoiets wordt meteen weggehoond. ‘Niet realistisch’, zeggen de vertegenwoordigers van de arrogante ideologie. Vervolgens zijn ze op de goorste manier cynisch door de handhaving van de status quo ‘de kracht van verandering’ te noemen, en de MR de wérkelijke ‘werkmanspartij’. Vrijheid, kraait de voorzitster van Open VLD op elk ongepast moment, om dan iets te verdedigen wat mensen opsluit in een wereld waarvoor geen alternatieven zouden zijn. Hoezo vrijheid?

Er wordt vaak over de socialisten gezegd dat ze sinds Tony Blairs, Gerhard Schröders en Wim Koks ‘derde weg’ geen werkelijke ideeën meer hebben. Ter rechterzijde van het klassieke politieke spectrum is de bloedarmoede even groot. Geen visie. Geen doel. Geen mensheid in zicht. Conservatieve staatslieden als Benjamin Disraeli, Edward Heath, Theodore Roosevelt of Nelson Rockefeller stonden nog wel degelijk op de bres voor het algemeen belang, zo memoreerde Tony Judt in Ill Fares the Land(2010).Dat soort staatsmannen op rechts hebben we al een eeuwigheid niet meer gezien.

Ik snap het wel: als Crombez het in zijn speech heeft over de afschaffing van dagcontracten en over de zorg, heeft hij zorgvuldig een keuze gemaakt uit onderwerpen op de politieke agenda waarmee hij het verschil met de regering in de verf kan zetten. Maar het blijft toch klinken als hetzelfde boekhoudersproza dat we altijd horen van politieke partijen. Hoera, we gaan zorgen voor de zorg, en dat de mensen dankzij volle contracten wat meer zekerheid krijgen, ‘zodat jonge mensen deftig aan hun leven kunnen beginnen’, zei hij.

Wat betekent ‘deftig’ hier anders dan: kunnen meedraaien in de wereld zoals ze is? Terwijl ik als overtuigd democraat bij de verkiezingen straks de mogelijkheid wil hebben om voor een ándere wereld te kiezen, een alternatief voor het roofzuchtige, op louter kopen en consumeren gebaseerde kapitalisme waarin de mens dienstbaar is aan de markt, in plaats van de markt aan de mens.

Noem het een droom, of zelfs een utopie. Ongevaarlijk is dat niet, maar dat is politiek nooit. Authentieke politiek verandert de parameters van wat binnen de bestaande constellatie mogelijk wordt geacht, zo schreef Slavoj Žižek ooit. Alleen dan kan er sprake zijn van echte democratie. Alleen dan valt er iets te kiezen.

Culturo (vandaag in De Standaard)

 

Een linkse, elitaire culturo reageert

Elke democratie heeft nood aan nuance

  • dinsdag 05 februari 2013
  • Auteur:Marc Reugebrink
Man leest boek in bibliotheek. ‘Culturo's hebben de neiging alles anders te bekijken.'

Man leest boek in bibliotheek. ‘Culturo’s hebben de neiging alles anders te bekijken.’

Willen of niet, wie eens als ‘culturo’ is bestempeld, raakt maar moeilijk van dat etiket af. Marc Reugebrink vindt dat griezelig omdat het aangeeft dat diversiteit almaar minder wordt geduld.

We leven in glasheldere tijden. Nu de populisten overal aan het roer staan, worden er volop etiketten geplakt, bokken van schapen gescheiden, kaf van koren – en je kunt maar beter aan de juiste kant staan. Zelf kom ik er bekaaid af. Ik ben een ‘culturo’, zo heb ik de afgelopen weken begrepen. En als culturo ben ik vanzelfsprekend links. En meteen ook elitair. Dat is allemaal niet goed. Nog een geluk dat ik de heteroseksuele ‘obediëntie’ ben toegedaan, ook al beperkt me dat ernstig in mijn kledingkeuze.

Natuurlijk wil ik bij dat mij opgeplakte etiket graag de nodige kanttekeningen maken. Ik ben geen culturo, ik ben een schrijver, een literair auteur. Mij lijkt dat niet aan elkaar gelijk te zijn. Hoewel. Ja, ik draag mijn hart links. Maar ik ben er tegelijkertijd van overtuigd dat cultuur voor veel linkse politici nu niet meteen een prioriteit is. Het verwijt dat kunst en literatuur elitair zijn kwam aanvankelijk vooral uit die hoek, zeker nadat links het idee van volksverheffing uiteindelijk maar had opgegeven en onder het mom van ‘cultuurparticipatie’ vooral koppen begon te tellen (cultuur = bezoekersaantallen). In mijn ervaring geniet je als literair auteur veel meer respect bij de van oorsprong confessionele partijen – bij politici die van oudsher nog vertrouwen hebben in Het Woord, ook al bewijst de irritatie die iemand als Rik Torfs in eigen rangen veroorzaakt dat men zulks nu ook weer niet moet overdrijven. Maar je hebt bij tsjeven en zelfs grefo’s (gereformeerden) in ieder geval het gevoel dat je ze mag tegenspreken en dat ze dan nog luisteren ook.

De trapauto is geen maatstaf

Elitair ben ik ook al niet. Nee, écht niet. Wel is het zo dat als het bijvoorbeeld over literatuur gaat, ik daar met de nodige kennis van zaken over spreek. Ik ben al meer dan een half leven met literatuur bezig, moet u weten. Als schrijver steun ik op een traditie van eeuwen waarvan ik al lezend kennis heb genomen en die ik al schrijvend telkens weer inzet.

Vandaar dat ik in E.L. James weinig van waarde terugvind – om het clichévoorbeeld van vandaag nog maar eens te geven (eerder was het Dan Brown, geloof ik?). Niet omdat ik me beter voel dan die miljoenen lezers, maar omdat iemand die verstand heeft van auto’s het liever ook niet heeft over de deugden van de trapauto. Ik misgun niemand zijn trapauto. Ik weiger alleen om die tot maatstaf te maken.

Maar ik herhaal: we leven inmiddels in glasheldere tijden. Mijn pogingen om onder het etiket uit te komen dat mij wordt opgeplakt, zijn in de ogen van de etikettenplakkers zelf alleen maar een bewijs dat ik dat etiket dubbel en dik verdien. En dat is bepaald griezelig. Communisten aten nooit kinderen, maar toch waren hele volksstammen daar op een zeker moment vast van overtuigd – voldoende overtuigd zelfs om de wapens op te willen nemen. En nu we toch bezig zijn: joden waren nooit ongedierte, maar er was heel weinig voor nodig om precies die definitie ingang te doen vinden en een hele schare welwillenden te vinden die, passief of actief, mee wilden helpen om dat ongedierte uit te roeien.

Ik weet het. Altijd weer diezelfde voorbeelden. Het is daarom dat de etikettenplakkers elke vergelijking met die duistere periode uit onze geschiedenis willen verbieden. Niet geheel ten onrechte. Maar ook niet geheel terecht. Het gaat niet om specifiek die periode. Het is maar dat we sinds die periode meer dan ooit tevoren weten waartoe etiketten plakken kan leiden. En de Chef Etikettenplakker zelf weet het ook, anders zette hij niet altijd dat eierdopje op zijn kop om te jammeren over de reductio ad hitlerum die hem ten deel valt wanneer hij zelf gereduceerd wordt tot zíjn ‘obediëntie’.

Het gaat precies om die reductie van de werkelijkheid tot stereotiepen in een economisch, politiek en cultureel klimaat dat in toenemende mate geen nuances meer toestaat. Waarin de werkelijkheid niet langer veelkantig is, maar steeds meer eendimensionaal. Kunstenaars, schrijvers (maar ook journalisten, intellectuelen en nog anderen die tot die als homogeen voorgestelde club ‘culturo’s’ worden gerekend) hebben de neiging om de courante definities van mensen en dingen nog eens om te draaien, anders te bekijken. Dat is van het grootste belang voor een democratische samenleving. Zo beschouwd lijken ze altijd maar weer in de contramine te zijn, dwars te liggen.

Dat is overigens niet hetzelfde als ‘links’ zijn. Het is voortdurend de vraag stellen wie of wat wij zijn: een schepsel Gods, een zelfstandig kritisch individu, burger, Vlaming, zoogdier? En we stellen die vraag juist omdat er in elk tijdperk mensen zijn die menen dat het antwoord op die vraag nu toch wel definitief is gegeven.

Niet iedereen heeft er baat bij dat die vraag openblijft. Het is daarom dat kunstenaars, schrijvers, journalisten tot op de dag van vandaag in (rechtse én linkse) dictaturen gewoonlijk tot de eersten behoren die worden opgeruimd. Dat is wellicht de angst van hen die nu zo treiterig tot culturo’s worden gereduceerd door een partijleider die vanwege het winnen van gemeenteraadsverkiezingen en verder steunend op altijd onzekere peilingen al een voorschot neemt op de situatie waarin tegenspraak niet meer zal baten.

Dat mag overdreven lijken, maar toch is die angst niet helemaal zonder grond. De Wever en andere N-VA-ers die zich in dezen al hebben geroerd lijken met dit soort reducties bepaald niet uit te zijn op dialoog, maar op de afschaffing van de diversiteit, van een veelkantigheid die, meer dan vandaag de dag aan bod komt, te danken is aan wie momenteel rücksichtslos op één hoop worden geveegd met de bedoeling hen af te voeren.

De wereld

Net nu mijn nieuwe roman in het stadium is gekomen dat het moeilijk wordt om überhaupt nog aan iets anders te denken — wakkerschieten om drie uur ’s nachts en dan eindeloos liggen denken aan zinnen, aan de zinnen die moeten volgen op de vorige zinnen, en aan de zinnen die daar weer op moeten volgen, en dan nog even de illusie koesteren dat je dit wel gaat onthouden tot het licht is, ook wel wetend dat je waarschijnlijk tussen (inmiddels) half vier en zeven uur nog wel weer in slaap zult vallen, een slaap die heilzaam is voor het lichaam maar desastreus voor al die fijne zinnen die je daar in het donker in je hoofd ligt te schrijven, zodat je dan toch (om pakweg kwart voor vier) maar opstaat om even iets in zo’n speciaal boekje te noteren (schrijvers hebben, een beetje aanstellerig, van die speciale boekjes waaraan ze te herkennen zijn, tegenwoordig gewoonlijk een moleskine), op de zetel in de living nog wat verder peinst, de verleiding weerstaat om naar boven, naar het werkvertrek te sluipen en de computer uit zijn slaapstand te wekken, uiteindelijk maar weer terugkeert naar bed en op een onbestemd tijdstip dan toch nog weer inslaapt om rond zevenen als een gebroken man aan het ontbijt te verschijnen — juist nu klopt de wereld aan het venster.

Er was de wel heel drastische maatregel van de regering om de belasting op auteursrechten van 15% naar 25% op te trekken. Daar werd publiekelijk hard tegen geprotesteerd: Erwin Mortier hier, de boekensector (Vlaams Fonds voor de Letteren, Boek.be, het literair middenveld bij monde van Het Beschrijf, de Vlaamse Autersvereniging) hier, Celia Ledoux en Ann De Craemer hier, Xavier Roelens hier — die laatste ging expliciet in op de onvoorstelbare haatgevoelens die loskwamen toen de sector zich verzette tegen een plotselinge, nooit met die sector ook maar besproken korting van 10% die de schatkist, ocharme, een kleine 5,5 miljoen op zou leveren — als je het beperkt hield tot de schrijvers zelfs niet meer dan 600.000 euro. Op zich geven die geringe bedragen al aan hoe bedroevend weinig de diverse regeringen in cultuur investeren, en ik neem aan dat dat geheel naar de zin van al die haatdragende burgers is die met weinig kennis van hoe de zaken er voor — met name — literaire auteurs uitzien alvast een voorschot namen op de volgende boekverbranding.

Dat laatste bracht Kristien Hemmerechts er eerder al toe om in Terzake, waar zij samen met jazzmusicus Jef Neve was uitgenodigd om iets over die maatregel te komen zeggen, alvast op voorhand het belang van cultuur flink te relativeren. Op Facebook ontstond een levendige discussie omdat één iemand haar vooral ‘een eerlijke pleidooi voor progressieve aanslagvoeten’ had horen houden: ‘naarmate de inkomsten uit auteursrechten stijgen, hoort men procentueel meer belastingen op die inkomsten te betalen’. Dat zei ze inderdaad, maar als samenvatting van haar bijdrage aan het gesprek kon het toch niet echt gelden. De teneur van wat ze zei was toch vooral dat deze besparing nauwelijks betekenis had in het licht van bijvoorbeeld de ontslagen bij Ford Genk (nog een meevaller dat ze Syrië niet noemde, of de Gazastrook). Dat stond in schril contrast met wat Jef Neve te berde bracht, die tot een dergelijke relativering van de cultuur bepaald niet bereid bleek.

In de discussie op Facebook over wat ze nu feitelijk gezegd had, stelde Hemmerechts zelf (antwoordend op het verwijt dat ze misschien te veel haar eigen situatie tot uitgangspunt had genomen en, suggereerde iemand, in een ‘ivoren toren’ leefde): “de vraag is wie er in een ivoren toren leeft: tenslotte sta ik ook in het beroepsleven of hoe noem je dat; en ik geef mijn oren en ogen goed de kost; ik denk dat sommige schrijvers en kunstenaars zouden schrikken als ze zouden horen hoe door heel wat mensen over hen wordt gedacht”. Nu even afgezien van het enigszins van gesundes Volksempfinden getuigend dédain voor ‘de’ kunstenaar en ‘de’ schrijver, die hier volledig benaderd worden vanuit het cliché van de wereldvreemde romantici die ze zouden zijn (Hemmerechts wérkt tenminste nog! schrijvers en kunstenaars behoren niet tot het beroepsleven, moet u weten (dan zouden ze ook geen belasting hoeven betalen, zo bedenk ik me nu, maar dit terzijde)) — afgezien van die wat bedenkelijke vooronderstellingen van Hemmerechts: er wordt door heel veel mensen ook veel lelijks gedacht over de zwarte medemens, de moslim en, niet te vergeten, de zigeuner. Het lijkt me niet dat we ons er daarom maar bij neer moeten leggen.

Inmiddels blijkt de regering de verhoging van de belasting op auteursrechten weer terug te draaien (zie hier), wat aanleiding geeft tot opluchting her en der, al stelt de directeur van het Vlaams Fonds voor de Letteren, Koen Van Bockstal (op Facebook alweer), dat we nu vooral op de kwestie moeten doorgaan, omdat de 15%-regeling “niet meer dan een lapmiddel of een schaamlapje is bij gebrek aan een structureel en duurzaam antwoord” op de vraag naar het statuut van de schrijver (die tot op heden geen enkel statuut heeft zelfs). Uit het hierboven aangehaalde stuk van Erwin Mortier blijkt ook al dat de belastingdienst zich geen raad weet met schrijvers en er dus bijna per definitie vanuit gaat dat er fraude in het spel is.

Laten we zeggen dat de hele kwestie me de afgelopen weken een paar vast en zeker briljante zinnen gekost heeft.

En er was nog iets wat om mijn beheersing vroeg en een bijna autistische gerichtheid op mijn romanzinnetjes. Juist deze week liet Vlaams minister-president Kris Peeters in een interview weten dat de geplande hervormingen van het secundair onderwijs beter geleidelijk en niet met een big bang ingevoerd zouden worden, en bovendien ook dat wezenlijke onderdelen van minister Smets plannen misschien toch niet zo zinvol waren. Weer iets waar je opgelucht over zou kunnen zijn, ware het niet dat het commentaar van Kris Peeters onmiddellijk werd uitgelegd als steunde hij zijn eigen minister niet meer (toch stond dat zo letterlijk niet in dat interview). Bovendien werd gesuggereerd dat Peeters dit alleen maar zei omdat de NV-A al eerder had laten weten de plannen van Smet rampzalig te vinden (zie bijvoorbeeld hier). Daarmee werd een en ander weer helemaal in het straatje van de politique politicienne getrokken — en dat gaat ten koste van het debat ten gronde dat over die onderwijshervormingen gevoerd moet worden.

Om een en ander nog te verergeren publiceerde Robert Voorhamme, nog heel even Schepen van Onderwijs in Anntwerpen, in De Standaard een opiniebijdrage waarin hij nog maar eens onverdroten de twijfelachtige ideeën over onderwijs die hij formuleerde in zijn boekje Een school voor iedereen (zie hier en hier), herhaalde met de kanttekening dat als het dan niet op Vlaams niveau gerealiseerd kon worden het op lokaal niveau misschien wel zou kunnen.

Ik had Voorhamme graag nog eens gewezen op onderstaand filmpje van een lezing die professor Wim Van den Broeck hield in het kader van 25 jaar Onderwijs Service. “We labelen kinderen al vanaf de kleuterschool en beklemtonen voortdurend de onderlinge verschillen tussen leerlingen. Dat is een aanval op het kind”, stelt Van den Broeck. In deze kritische lezing bespreekt hij zijn visie op het Vlaamse onderwijs. Leraren hebben leren differentiëren met een sterke aandacht voor het welbevinden. Wat zijn daarvan de gevolgen voor de leerlingen? “Ons onderwijs holt voortdurend hypes achterna. De huidige vernieuwingen en hervormingen verergeren de problemen. Een stevige kennisbasis is nodig.” De lezing ontkracht veel mythes van onderwijsvernieuwers, en zeker de warrige brei die economisten als Voorhamme daar vervolgens van maken.

 

Maar kijk, mijn personages wandelen schouder aan schouder door de Walpoortstraat richting de Gentse Vooruit om er iets te gaan drinken en vragen dringend om persoonsvormen, lijdende voorwerpen, bijstellingen en bepalingen van gesteldheid — om zinnen waarin ze verder kunnen bestaan. Niet zozeer om literatuur te worden, maar om wereld te worden.

Verlangen naar het eindsignaal

Als iets mij gestoord heeft aan de gemeenteraadsverkiezingen dan is het wel de wijze waarop er in de media aandacht aan werd gegeven. Hoewel elk televisiestation en elke krant kan voorleggen dat er ook naar andere steden dan louter Antwerpen gekeken is, waren deze gemeenteraadsverkiezingen toch vooral die van “Patrick versus Bart”. Dat blijft ook zo voor wie nu naar de commentaren en analyses kijkt, en voor wie een blik werpt op buitenlandse kranten. Zelfs NRC Handelsblad, waar nochtans een Belg aan het hoofd staat, toetert vrolijk mee in het koor van hen die het separatistische verhaal belangrijker vinden dan het verhaal van al die partijen die in dat separatisme nadrukkelijk niet meestappen — nog altijd een forse meerderheid in België, en een aanzienlijke meerderheid in Vlaanderen zelf. Journalistiek scoren met een smeuïg, dat wil zeggen: een sensationeel, liefst nog apocalyptisch verhaal is belangrijker dan het achterhalen van de werkelijkheid. Disaster sells.

Na de Nederlandse verkiezingen maakte het wetenschappelijk instituut voor de journalistiek, De Nederlandse Nieuwsmonitor, een analyse van de verkiezingscampagne. ‘(…) de enorme focus op de peilingen en de versimpeling van de verkiezingscampagne tot een wedstrijd zijn de reden dat kiezers massaal strategisch stemden en dat diezelfde peilingen er zoveel naast zaten’, zo stelde die. De verkiezingen in Nederland werden — net als nu bij de gemeenteraadsverkiezingen in België is gebeurd — herleid tot een tweestrijd, waarin het eerst ging om Rutte versus Roemer, en vervolgens om Samson versus Rutte. Op zich een streep door de rekening van Wilders, die zich in het reduceren van kwesties tot een hondengevecht tussen hem en iemand anders met hulp van diezelfde pers tot dan toe een meester had betoond. Geen wonder dus dat Wilders stemmen verloor: hij kwam niet langer als ideale tegenstander in beeld. Misschien oogstte hij wat hij had gezaaid: zijn jarenlange, min of meer vanzelfsprekend geworden dominantie in de pers juist vanwege die polariserende stijl van hem, leidde tot dédain voor die pers. Misschien kreeg hij nu een koekje van eigen deeg?

Het gaat er om dat deze reductie tot een ogenschijnlijk erg overzichtelijke tweestrijd een ontoelaatbare versimpeling inhoudt van de politieke realiteit. In België ging het niet om “Patrick versus Bart” — en zelfs in Antwerpen zou het daar niet enkel om hebben mogen gaan. De vraag wat precies de inhoudelijke tegenstellingen waren tussen de partijen die door beide persoonlijkheden werden vertegenwoordigd, raakte allengs steeds meer op de achtergrond, alsook het feit dat N-VA — weliswaar in kartel met de CD&V — de afgelopen jaren in Antwerpen mee heeft bestuurd. Laat staan dat andere visies nog aan bod kwamen. 

Dat wedstrijdnieuws dagbladen doet verkopen en veel kijkers trekt is een valide reden vanuit een commercieel oogpunt’, stelt de Nederlandse Nieuwsmonitor. ‘Echter, het is de vraag in hoeverre de journalistiek ook de democratische rol van intermediair tussen politiek en burger wil en moet vervullen. Wedstrijdnieuws voedt de toeschouwers, de Nederlandse kiezer, met niets anders dan journalistiek fast food. Dit brengt een vitale democratie eerder in gevaar dan dat het bestendigt’.

Waarna nog volgt dat misschien ook de consument eens bij zichzelf te rade moet gaan, want blijkbaar is er ‘een grote markt voor deze vorm van politieke berichtgeving en laat men zich en masse verleiden tot een niet-inhoudelijke stem’ — een wat rare, naar de media toe haast vergoelijkende toevoeging. Je kunt immers niet eerst stellen dat (door commerciële motieven gestuurd) wedstrijdnieuws de werkelijkheid zodanig reduceert dat de vitale democratie in gevaar wordt gebracht en daarmee dus feitelijk aan die media de definiërende kracht toeschrijven die ze, gezien de verkiezingsresultaten ook werkelijk hebben, om dan vervolgens net te doen of je als gemiddelde burger nog de mogelijkheid hebt om je onafhankelijk op te stellen tegenover wat de media ons als de werkelijkheid voorschotelen. Dat de jongens en meisjes bij de Nederlandse Nieuwmonitor dat wél kunnen, heeft veel te maken met het feit dat ze er voor doorgeleerd hebben. De meeste mensen betrekken hun wereldbeeld bij de media die het hen voorschotelen. De meesten van ons worden dagelijks gemanipuleerd dat het een lieve lust is. Hen vervolgens verwijten dat ze zich laten manipuleren is dan intellectueel niet helemaal eerlijk, lijkt me toch.

Toch gaat het me hier niet om maar weer eens een rondje media-bashing. Ik hecht veel belang aan de zogeheten ‘vierde macht’. Maar dan moet de pers wel haar taken naar behoren vervullen en haar in se kritische grondhouding niet uitsluitend begrijpen als enkel de neiging om sprekers op elk moment in de rede te vallen en er zo meteen nog een andere wedstrijd van te maken: wie produceert de meeste soundbites (ik heb niet veel op met Yves Leterme, maar de haast autistische onverstoorbaarheid waarmee hij destijds dwars tegen presentator Ivan De Vadder in bleef doorpraten had iets verfrissends).

Het is voor mij onvoorstelbaar dat er nooit werkelijk kanttekeningen zijn gemaakt bij de perverse wijze waarop de N-VA in haar communicatie aan taalverkrachting doet. De slogan ‘de kracht van verandering’ is niet alleen een manier om het traditionele progressieve discours te kapen en zo de oorspronkelijk progressieve partijen als een stelletje verstokte reactionairen voor te stellen (een omkeringstrucje waar menig postmodernist trots op zou zijn — al is dat dan juist weer een filosofie waar de N-VA niks mee op lijkt te hebben). Maar ‘verandering’ is wel het laatste wat de N-VA voorstaat. Het programma van die partij is behalve nationalistisch vooral heel erg neo-liberaal, gebaseerd op een aantal aannames waarvan de onhoudbaarheid inmiddels nu toch wel duidelijk gebleken is. De N-VA leeft nog steeds in een droomwereld waarin ongebreidelde groei, almaar meer consumptie en het oneindig voorhanden zijn van goedkope grondstoffen de pijlers vormen. Die wereld bestaat niet (meer).

Je zou willen dat journalisten De Wever en de zijnen daar eens op aanspraken. Het is verkiezingsbedrog als verkiezingsbelofte en legt het ontstellende cynisme bloot dat de werkelijke drijvende kracht lijkt te zijn achter deze partij. Hetzelfde gebeurde na de verkiezingsoverwinning, toen De Wever met een zelden geziene arrogantie preekte dat bescheidenheid hem sierde, onderwijl een heuse, onprettige herinneringen oproepende ‘mars’ op het stadhuis ondernam, bezig was een gemeenteraadsverkiezing op te blazen tot niet alleen iets van nationaal belang, maar tot iets van wereldhistorische omvang, en vervolgens ook nog een balkonscène inlastte (al moet gezegd dat wonderboy Stef Wauters (VTM) hem daar min of meer toe dwong; het nieuwsanker als volksmenner). Wat hij met de mond beleed (bescheidenheid) werd door zijn overige gedrag volledig tegengesproken.

Het herleiden van ingewikkelde kwesties tot leugenachtige slogans zou je ook een gevolg van de werking van de media kunnen noemen, overigens. Het is niet enkel de N-VA die zich daaraan schuldig maakte. Patrick Janssens zelf is daar in 2006 al mee begonnen toen hij nadrukkelijk een niet-ideologische en puur op zijn persoon gerichte campagne voerde om Dewinter uit het stadhuis te houden. Dat probeerde hij nu weer, met zijn magazine. Ik heb dat soort verpersoonlijking altijd wat gênant gevonden — de typische strapatzen van een pure reclameman die het verschil tussen politieke overtuigingen en waspoeder natuurlijk als geen ander kent, maar het één toch als het ander wenst te verkopen vanuit de cynische (realistische) overtuiging dat iets anders voor de media toch niet zou werken. Het ergste is dat je hem daar nog niet eens ongelijk in kunt geven ook.

media_xl_5180061.jpg

Uiteindelijk komt het allemaal neer op een diep verlangen naar het einde van de wedstrijd. Dat men eens ophoudt om alles als een eindeloze competitie voor te stellen. Literatuur en andere cultuuruitingen worden ook nog alleen door de bril van de competitie gezien. Ik heb al nooit erg veel op gehad met hitlijsten in popmuziek — laat staan dat ik een boodschap heb aan boekentoptiens, klassementen van de beste (populairste) klassieke muziek, hoogste prijzen voor schilderijen van dode en levende kunstenaars.

Of eigenlijk zeg ik het niet goed als ik beweer ‘er geen boodschap aan te hebben’. Al die zaken hebben ook op mij invloed. Ik heb het gevoel dat ik me ertoe moet verhouden, omdat het op een bepaald moment nu eenmaal wordt voorgesteld als van het grootste belang, als de realiteit zonder meer. Vroeger meer dan nu deed ik dat door vooral neer te willen halen wat populair is — een pavlov reactie van een zelfverklaarde kritische, ‘onafhankelijke’ geest. Inmiddels weet ik dat wie in welke tak van sport ook als onbetwiste kampioen wordt voorgesteld mogelijkerwijs inderdaad iets in zijn mars heeft, maar zeker is dat niet. De kwaliteit staat los van wat om welke reden dan ook maar wordt opgehemeld. In kunst, in literatuur. En in de politiek.

De constructie van authenticiteit

Gisteren-, zondagochtend, kwam de VRT langs om een kort filmpje te maken over ‘nieuwe Belgen’ die meededen aan de gemeenteraadsverkiezingen. Men had mij al een paar weken geleden gebeld, en met een grote voorkomendheid in de tussentijd nog ettelijke keren gevraagd of het echt wel schikte, die zondagochtend, of ik het nog steeds wilde: iets zeggen over hoe dat is, stemmen als nieuwe Belg. Ik bleef hardnekkig toezeggen.

De opnames duurden al bij al niet zo lang. Een uurtje. Eerst wat opnames aan de ontbijttafel, zo had men gezegd. Het was daarom dat H. en ik ons ontbijt nog wat hadden uitgesteld, en ook waarom ik nog snel even naar de Turkse bakker rende voor dan toch maar wat croissants. Ja kijk eens… Beeldvorming… Wat zouden de mensen wel niet denken als ze bij die Reugebrink op tafel konden kijken en er zouden op zondagochtend geen ‘koeken’ zijn… Hollandse zuinigheid — ik hoorde het ze al zeggen. Die gast heeft alleen een zelfgebakken brood op tafel staan; die is duidelijk niet ingeburgerd!

Maar tegen de tijd dat de cameraploeg arriveerde, was er eigenlijk al volop ontbeten: door onze dochter en een vriendinnetje dat was blijven slapen. Beiden werden juist voor de aankomst van de tv-ploeg opgehaald door de ouders van het vriendinnetje om vervolgens met de JNM een dagje naar zee te gaan. We zouden dus niet als leuk gezinnetje van drie figureren op tv, zo stelde ik enigszins teleurgesteld vast  — een gezinnetje dat daar overigens helemaal niet op zat te wachten. Moet dat echt? vroeg de grootste toen ik voor het eerst meldde dat de VRT zou langskomen; en de kleinste leek ook al niet zo happig om op de buis te verschijnen. Ik heb — als ik ook nog de voorkomendheid van de VRT in acht neem — echt wel moeten doorzetten om het te laten plaatsvinden.

Waar dat toe leidt? Tot de constructie van authenticiteit. De werkelijkheid voor anderen is altijd geregisseerd, en dus verkruimelde ik twee croissants gedurende het gesprek aan de ontbijttafel, hernam iets wat ik aanvankelijk met veel euh’s en in hopeloos ingewikkelde zinnen had gezegd, waarna we minstens drie keer het huis verlieten, de deur afsloten en wegliepen, twee keer dezelfde straat overstaken, een keer of twee door de gang van de school wandelden waar het kiesbureau gehuisvest was en ook nog een paar keer de straat op en neer gingen terwijl ik sprak over de kiescampagne in Gent, over het kartel Rood-Groen en de reële mogelijkheid dat burgemeester Termont wanneer hij niet de absolute meerderheid haalde de liberalen toch weer mee in bad zou trekken, waardoor de enige oppositie in Gent zou bestaan uit de rechtse N-VA van Bracke. Ik stelde dat dat misschien toch een gegronde reden was om deze keer voor de PvdA+ te stemmen, om zo ter linkerzijde nog iets van een oppositie over te houden in Gent. Een coalitie van Rood-Groen mét Open VLD leek mij vooral voor Groen een probleem te worden; zouden ze niet net als ten tijde van de regering Verhofstadt in de hoek komen te zitten waar de klappen vallen? Waren ze niet te naïef? Want zijn de sociaal-democraten van Termont en Van Den Bossche niet nog steeds ziek in het neo-liberale bedje waarin alle sociaal-democratische partijen in Europa sinds Blair en Schröder en Kok ziek zijn?

Anderzijds, oreerde ik terwijl interviewer en cameraman achterwaarts voortstapten in de Sint Salvatorstraat — een heroïsche daad voor wie weet hoe het trottoir er daar bijligt — anderzijds heb ik ook een beetje moeite met die linkse(re) stemmen die de ‘citymarketing’ van de Gentse (paarse) coalitie heel scherp stelden tegenover het tekort aan sociale woningbouw, en die ‘prestigeprojecten’ als de nieuwe Stadshal als belemmering voor de armoedebestrijding zien. De doorwerking van dat soort projecten, de uitstraling ervan op andere gebieden dan enkel het wel en wee van de Gentse toeristenindustrie, wordt door die stemmen wel eens onderschat. Zoals bijvoorbeeld zelfs Groen in haar partijprogramma ook gewoon stelt dat de Kanaalzone, met de Gentse haven en met veel vervuilende industrie, op zich levensnoodzakelijk is voor het welzijn van heel Gent.

Ik was kortom ineens op dreef. Begon analyses ten beste te geven, dilemma’s te formuleren, strategische overwegingen af te zetten tegen principiële, moffelde er nog wat tussen over cultuurbeleid in de stad — en al die tijd struikelde de cameraman niet.

Gisteren om half twee werd onderstaand filmpje uitgezonden. (De kwaliteit is matig omdat het item ‘nieuwe Belg’ uiteraard niet voorkomt in het overzicht van de hoogtepunten uit het verkiezingsprogramma zoals die te vinden zijn op de site van de redactie.be. Om het hier toch te kunnen laten zien heb ik het zelf met een fototoestel opgenomen van tv).

Uiteraard, zo zou ik bijna zeggen, is alles wat ik heb gezegd gereduceerd tot dat ene punt: de ‘nieuwe Belg’ die voor het eerst in die hoedanigheid zijn stem uitbrengt. Elke andere invulling van dat item, een uitbreiding van het filmpje met al mijn commentaar en analyses, zou er iets heel anders van hebben gemaakt — en dat was nu eenmaal niet de bedoeling.

De grap is dat het personage dat ik hier zie acteren, veel weg heeft van Daniël Winfried Rega — de hoofdpersoon uit Het grote uitstel. Hij wil er graag bijhoren, hoor ik hem zeggen. Hij is daar gevoelig voor. Hij blaakt van burgerzin en goede moed. Nee, ik ga niet zo flauw zijn om daarmee te beweren dat mij door montage en opzet onrecht is aangedaan. Het is zeker een kant van mijn persoon. En dat de andere kant — de intellectueel, zeg maar, degene die de zaken in twijfel trekt, van een andere kant benadert, tot op het laatste moment twijfelde of hij   het bolletje Rood-Groen of toch maar PvdA+ zou inkleuren — dat die kant niet aan de orde komt, het spreekt eigenlijk wel vanzelf. 

3b6f0f82-f4f5-11e1-803c-4b8853830338_original.jpg.h380.jpg

De Stadshal

Joos vandaag

En geheel onverwachts, en via een bliksembezoek (12.00 uur binnen, 12.30 uur weer buiten), nog eens op de radio over het nuttigheidsvirus en dus, op het gevaar af van de eindeloze herhaling (al kan het niet genoeg gezegd worden), nog maar eens over de gesel van deze tijd.

 
 

Debat (nu wel).

Gisterenavond op een wat moeilijk vindbare lokatie in Antwerpen een debat over de vraag of cultuur de media nog nodig heeft. Ik had al op voorhand bedacht dat het antwoord daarop ‘ja’ diende te luiden, in de verwachting dat er veel gepraat zou worden over sociale media, internet en wat dies meer zij — over initiatieven kortom die zouden aantonen dat cultuur de reguliere, de officiële media helemaal niet nodig heeft.

Als je ‘ja’ zegt op de centrale vraag, wordt het meteen ingewikkeld. Dat ‘ja’ loopt namelijk onmiddellijk uit op een klaagzang over hoe die media vandaag de dag functioneren. Wouter Hillaert van Rekto:verso had al vantevoren min of meer verboden om het daar nog maar eens over te hebben. Begrijpelijk. De deelnemers aan het debat zouden het waarschijnlijk met elkaar eens zijn op dit punt. En toch. Het feit dat een ‘nee’ op de centrale vraag onmiddellijk leidt tot de acceptatie van de deplorabele staat van de (cultuur)media lijkt mij al evenmin wenselijk.

Toch is dat waar het vooral op neerkwam als ik de deelnemers zo eens beluisterde. Eén van de alternatieven voor de media heette bijvoorbeeld ‘crowd-funding’ te zijn. Een goed idee. Je verzamelt een aantal mensen rond je die jou een bepaald bedrag geven zodat jij je kunst kunt maken en, zo denk ik dat de bedoeling is, ‘onafhankelijk’ kunt blijven. Maar binnen een dergelijk concept is de kunst die je maakt in de eerste plaats een product. Het neemt de neo-liberale logica volledig voor lief. Het klinkt heel alternatief en onafhankelijk, maar de claim op de openbaarheid is in dit concept opgegeven. Om het heel scherp te zeggen: kunst dient hier niet meer om de wereld te definiëren (te veranderen, te verbeteren, te… etc), maar is nog slechts bedoeld voor een kleine incrowd. Het is preken voor eigen parochie. Het accepteert de werkelijkheid zoals ze nu eenmaal is: neo-liberaal, kunst- en cultuurvijandig. Het komt uiteindelijk neer op ‘looking out for number one’.

Dat wil niet zeggen dat de kunst of literatuur die op die manier wordt gemaakt, ikgericht of solipsistisch of iets dergelijks zou zijn. Misschien claimt het werk nog steeds wel een zekere algemeengeldigheid, een bepaalde universaliteit (want waarom zou je anders een kunstwerk maken, een boek schrijven?), maar het geeft die claim tegelijkertijd op door de wijze waarop het zich van de openbare ruimte afkeert en de vermarkting ervan prioritair maakt.

Ik was veel te romantisch als ik dacht dat er nog zoiets als openbare ruimte bestond, zei iemand tegen mij. Dat wil ik niet eens ontkennen. Maar het tegendeel: dat degene die die ruimte opgeeft eigenlijk buitengewoon cynisch is, stuit op verontwaardiging of verwondering. Ik heb het zelf ook niet gemakkelijk met wat ik me gedwongen voel op een dergelijk moment te zeggen: dat we behoefte hebben aan autoriteit, dat het disparate alleen werkelijk een alternatief vormt wanneer het staat tegenover dat wat het niet is. Maar het dominante neoliberale discours is juist gebaat bij het incidentele, het verbrokkelde, het ‘individuele’ in de zin van het afzonderlijke, losse, onverbondene. Dat valt goed te vermarkten. En als sommige auteurs met een YouTube-channel die aan crowd-funding doen een succes krijgen dat groter is dan de 1000 of 2000 man die men nog wel eens wil bereiken langs deze weg, dan is het succes van die auteurs in de eerste plaats een commercieel succes — onafhankelijk van wat ze in en met hun werk te zeggen hebben en ook zonder dat die inhoud er feitelijk toe doet in een ander kader dan dat van de markt. De kans dat het dan door de reguliere media wordt opgepikt is op dat moment opeens ook een stuk groter, maar alweer: niet om wat het werk voorstaat maar om wat het opbrengt.

We moeten opnieuw leren burgers te worden, zo wil mij op een dergelijk momenten nog wel eens ontsnappen, en ik praat daarmee Tony Judt na, en Paul Verhaeghe ook. Dat terwijl kunst en literatuur zich zowat de hele vorige eeuw hebben gedefinieerd als juist het anti-burgelijke bij uitstek. Dat hele alternatieve circuit geeft daar nog steeds uitdrukking aan: de anti-burgerlijkheid, de gedachte dat negativiteit een waarmerk voor artisticiteit is. Alsof je afkeren op zich een garantie biedt. Juist als je ziet hoe dat binnen de officiële media steeds weer gerecupereerd is en wordt, zou je toch even moeten doen stilstaan bij een en ander.

Het lastige voor mijzelf is dat ik natuurlijk deel uitmaak van een traditie die kunst en literatuur op precies die (negatieve) wijze definieert: als kritisch bewustzijn ten opzichte van de heersende ideologie, als negatie van burgelijke normen en waarden, als de omverwerping van wat dan onmiddellijk overleefde overtuigingen heten te zijn. Het maakt dat ik soms twee dingen tegelijkertijd zou willen kunnen zeggen: dat het gaat om een claim op universaliteit juist omdat die niet bestaat. Het gevaar is dat je met dergelijke uitspraken in de hoek van de poëzie belandt — een prachtig genre, maar binnen de huidige openbare ruimte al op voorhand tot overbodigheid verdampte woordkramerij.