Deze (gisteren)avond in DS Avond (4) (en vandaag in DS)

De vierde aflevering van De Mening — over perikelen rond de Nobelprijs. Deze De Mening verscheen vandaag ook in de zaterdagkrant.

screenshot_252

Zitten ze elkaar bij de Zweedse Academie, de instantie die de Nobelprijs voor literatuur toekent, ook al in de broek… De echtgenoot van Academielid Katarina Frostenson zou 18 vrouwen hebben misbruikt — zowel vrouwelijke Academieleden als echtgenotes en dochters van mannelijke leden. De man, die alles ontkent, heeft een ‘privéclub voor cultuur’, zo las ik ergens. Die club kreeg ook nog eens geld van de Academie.

Het werkelijke drama is hier natuurlijk het misbruik. Je zou kunnen zeggen dat het een bijna logisch gevolg is van de exclusiviteit van de Zweedse Academie, waarvan de leden bij geheime stemming verkozen en voor het leven benoemd worden. De exclusiviteit van het gezelschap leidt bij de leden al snel tot de misvatting dat men boven de werkelijkheid staat, zich alles kan permitteren. Ze leidt ook tot het verkeerde soort trouw aan de club zelf. Je beseft dat het afvallen van één van de leden schade toebrengt aan het hele gezelschap, en dus ook aan jezelf.

En aan de literatuur. Omdat het ene na het andere Academielid opstapte uit protest tegen het aanblijven van mevrouw Frostenson, wordt de Nobelprijs voor de Literatuur dit jaar niet uitgereikt. Dat opstappen is absoluut loffelijk. Maar het ondermijnt de illusie van onfeilbaarheid van de Zweedse Academie en daarmee vermindert het aanzien van de prijs.

Dat is altijd de paradox: dat we weten dat die onfeilbaarheid natuurlijk altijd alleen maar een illusie was, maar dat wij mensen nu eenmaal bepaalde leugens nodig hebben om in deze tijden van allesverwoestend consumentisme bepaalde zaken (en onszelf) te vrijwaren van onze relativeringszucht. De felle discussies over de toekenning van de Nobelprijs aan liedjesboer Bob Dylan in 2016 lieten dat al duidelijk zien. Er zijn grenzen aan het eindeloos oprekken van wat wél en wat géén literatuur mag heten, zo bleek. En ook al heeft nog nooit iemand een sluitende definitie van literatuur kunnen geven, de Nobelprijs hielp toch flink mee om de grenzen te trekken.

De waarheid bestaat niet, maar ze moet wel steeds geformuleerd worden. Niemand krijgt achting voor, of zelfs maar zin in literatuur als ze benaderd wordt op de wijze van de kleuterjuffen van langzullenwelezen.be — je wordt in hun paginagrote advertenties aangesproken alsof je niet helemaal goed bij je hoofd bent. Daar zakt mijn broek van af. Van een dergelijke voorstelling van literatuur zou ik me verre houden.

Blijkbaar is dat de treurige keuze voor de ontheemde lezer vandaag de dag: men moet zijn oren laten hangen naar iets waarvan je broek afzakt, of naar hen die ongevraagd in andermans broek zitten. Met alle respect voor de werkelijke slachtoffers binnen de Zweedse Academie, maar ik voel me door beiden in het kruis getast.

screenshot_253

screenshot_249

 

 

 

 

 

 

 

Het glas dat op de grond viel. Over Bodo Kirchhoffs ‘Wedervaring’.

Bodo Kirchhoff won in 2016 de Deutscher Buchpreis met de novelle Wedervaring (Widerfahrnis): over een man en een vrouw die hopen het boek van hun leven nog te kunnen redigeren. Een prachtig traag verhaal vol kleine betekenisverschuivingen met steeds grote gevolgen.

widerfahrnis-143784660

Ook op Knack.be en De Reactor.org

Doorgaan met het lezen van “Het glas dat op de grond viel. Over Bodo Kirchhoffs ‘Wedervaring’.”

Vriendschap op het eerste gezicht

Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar — het is een precaire onderneming: Anna Enquist beschijft háár vriendschap met Gerrit Kouwenaar, en dus moet het niet verbazen dat Kouwenaar hier gevormd wordt naar haar beeld. Daarnaast roept het boek de vraag op wát je je precies in het openbaar wilt herinneren van een vriendschap die voor de wereld niet verloren mag gaan.

enquist-kouwenaar-2017-2

Eerder verschenen op Knack.be en Dereactor.org

Doorgaan met het lezen van “Vriendschap op het eerste gezicht”

De wereld

Net nu mijn nieuwe roman in het stadium is gekomen dat het moeilijk wordt om überhaupt nog aan iets anders te denken — wakkerschieten om drie uur ’s nachts en dan eindeloos liggen denken aan zinnen, aan de zinnen die moeten volgen op de vorige zinnen, en aan de zinnen die daar weer op moeten volgen, en dan nog even de illusie koesteren dat je dit wel gaat onthouden tot het licht is, ook wel wetend dat je waarschijnlijk tussen (inmiddels) half vier en zeven uur nog wel weer in slaap zult vallen, een slaap die heilzaam is voor het lichaam maar desastreus voor al die fijne zinnen die je daar in het donker in je hoofd ligt te schrijven, zodat je dan toch (om pakweg kwart voor vier) maar opstaat om even iets in zo’n speciaal boekje te noteren (schrijvers hebben, een beetje aanstellerig, van die speciale boekjes waaraan ze te herkennen zijn, tegenwoordig gewoonlijk een moleskine), op de zetel in de living nog wat verder peinst, de verleiding weerstaat om naar boven, naar het werkvertrek te sluipen en de computer uit zijn slaapstand te wekken, uiteindelijk maar weer terugkeert naar bed en op een onbestemd tijdstip dan toch nog weer inslaapt om rond zevenen als een gebroken man aan het ontbijt te verschijnen — juist nu klopt de wereld aan het venster.

Er was de wel heel drastische maatregel van de regering om de belasting op auteursrechten van 15% naar 25% op te trekken. Daar werd publiekelijk hard tegen geprotesteerd: Erwin Mortier hier, de boekensector (Vlaams Fonds voor de Letteren, Boek.be, het literair middenveld bij monde van Het Beschrijf, de Vlaamse Autersvereniging) hier, Celia Ledoux en Ann De Craemer hier, Xavier Roelens hier — die laatste ging expliciet in op de onvoorstelbare haatgevoelens die loskwamen toen de sector zich verzette tegen een plotselinge, nooit met die sector ook maar besproken korting van 10% die de schatkist, ocharme, een kleine 5,5 miljoen op zou leveren — als je het beperkt hield tot de schrijvers zelfs niet meer dan 600.000 euro. Op zich geven die geringe bedragen al aan hoe bedroevend weinig de diverse regeringen in cultuur investeren, en ik neem aan dat dat geheel naar de zin van al die haatdragende burgers is die met weinig kennis van hoe de zaken er voor — met name — literaire auteurs uitzien alvast een voorschot namen op de volgende boekverbranding.

Dat laatste bracht Kristien Hemmerechts er eerder al toe om in Terzake, waar zij samen met jazzmusicus Jef Neve was uitgenodigd om iets over die maatregel te komen zeggen, alvast op voorhand het belang van cultuur flink te relativeren. Op Facebook ontstond een levendige discussie omdat één iemand haar vooral ‘een eerlijke pleidooi voor progressieve aanslagvoeten’ had horen houden: ‘naarmate de inkomsten uit auteursrechten stijgen, hoort men procentueel meer belastingen op die inkomsten te betalen’. Dat zei ze inderdaad, maar als samenvatting van haar bijdrage aan het gesprek kon het toch niet echt gelden. De teneur van wat ze zei was toch vooral dat deze besparing nauwelijks betekenis had in het licht van bijvoorbeeld de ontslagen bij Ford Genk (nog een meevaller dat ze Syrië niet noemde, of de Gazastrook). Dat stond in schril contrast met wat Jef Neve te berde bracht, die tot een dergelijke relativering van de cultuur bepaald niet bereid bleek.

In de discussie op Facebook over wat ze nu feitelijk gezegd had, stelde Hemmerechts zelf (antwoordend op het verwijt dat ze misschien te veel haar eigen situatie tot uitgangspunt had genomen en, suggereerde iemand, in een ‘ivoren toren’ leefde): “de vraag is wie er in een ivoren toren leeft: tenslotte sta ik ook in het beroepsleven of hoe noem je dat; en ik geef mijn oren en ogen goed de kost; ik denk dat sommige schrijvers en kunstenaars zouden schrikken als ze zouden horen hoe door heel wat mensen over hen wordt gedacht”. Nu even afgezien van het enigszins van gesundes Volksempfinden getuigend dédain voor ‘de’ kunstenaar en ‘de’ schrijver, die hier volledig benaderd worden vanuit het cliché van de wereldvreemde romantici die ze zouden zijn (Hemmerechts wérkt tenminste nog! schrijvers en kunstenaars behoren niet tot het beroepsleven, moet u weten (dan zouden ze ook geen belasting hoeven betalen, zo bedenk ik me nu, maar dit terzijde)) — afgezien van die wat bedenkelijke vooronderstellingen van Hemmerechts: er wordt door heel veel mensen ook veel lelijks gedacht over de zwarte medemens, de moslim en, niet te vergeten, de zigeuner. Het lijkt me niet dat we ons er daarom maar bij neer moeten leggen.

Inmiddels blijkt de regering de verhoging van de belasting op auteursrechten weer terug te draaien (zie hier), wat aanleiding geeft tot opluchting her en der, al stelt de directeur van het Vlaams Fonds voor de Letteren, Koen Van Bockstal (op Facebook alweer), dat we nu vooral op de kwestie moeten doorgaan, omdat de 15%-regeling “niet meer dan een lapmiddel of een schaamlapje is bij gebrek aan een structureel en duurzaam antwoord” op de vraag naar het statuut van de schrijver (die tot op heden geen enkel statuut heeft zelfs). Uit het hierboven aangehaalde stuk van Erwin Mortier blijkt ook al dat de belastingdienst zich geen raad weet met schrijvers en er dus bijna per definitie vanuit gaat dat er fraude in het spel is.

Laten we zeggen dat de hele kwestie me de afgelopen weken een paar vast en zeker briljante zinnen gekost heeft.

En er was nog iets wat om mijn beheersing vroeg en een bijna autistische gerichtheid op mijn romanzinnetjes. Juist deze week liet Vlaams minister-president Kris Peeters in een interview weten dat de geplande hervormingen van het secundair onderwijs beter geleidelijk en niet met een big bang ingevoerd zouden worden, en bovendien ook dat wezenlijke onderdelen van minister Smets plannen misschien toch niet zo zinvol waren. Weer iets waar je opgelucht over zou kunnen zijn, ware het niet dat het commentaar van Kris Peeters onmiddellijk werd uitgelegd als steunde hij zijn eigen minister niet meer (toch stond dat zo letterlijk niet in dat interview). Bovendien werd gesuggereerd dat Peeters dit alleen maar zei omdat de NV-A al eerder had laten weten de plannen van Smet rampzalig te vinden (zie bijvoorbeeld hier). Daarmee werd een en ander weer helemaal in het straatje van de politique politicienne getrokken — en dat gaat ten koste van het debat ten gronde dat over die onderwijshervormingen gevoerd moet worden.

Om een en ander nog te verergeren publiceerde Robert Voorhamme, nog heel even Schepen van Onderwijs in Anntwerpen, in De Standaard een opiniebijdrage waarin hij nog maar eens onverdroten de twijfelachtige ideeën over onderwijs die hij formuleerde in zijn boekje Een school voor iedereen (zie hier en hier), herhaalde met de kanttekening dat als het dan niet op Vlaams niveau gerealiseerd kon worden het op lokaal niveau misschien wel zou kunnen.

Ik had Voorhamme graag nog eens gewezen op onderstaand filmpje van een lezing die professor Wim Van den Broeck hield in het kader van 25 jaar Onderwijs Service. “We labelen kinderen al vanaf de kleuterschool en beklemtonen voortdurend de onderlinge verschillen tussen leerlingen. Dat is een aanval op het kind”, stelt Van den Broeck. In deze kritische lezing bespreekt hij zijn visie op het Vlaamse onderwijs. Leraren hebben leren differentiëren met een sterke aandacht voor het welbevinden. Wat zijn daarvan de gevolgen voor de leerlingen? “Ons onderwijs holt voortdurend hypes achterna. De huidige vernieuwingen en hervormingen verergeren de problemen. Een stevige kennisbasis is nodig.” De lezing ontkracht veel mythes van onderwijsvernieuwers, en zeker de warrige brei die economisten als Voorhamme daar vervolgens van maken.

 

Maar kijk, mijn personages wandelen schouder aan schouder door de Walpoortstraat richting de Gentse Vooruit om er iets te gaan drinken en vragen dringend om persoonsvormen, lijdende voorwerpen, bijstellingen en bepalingen van gesteldheid — om zinnen waarin ze verder kunnen bestaan. Niet zozeer om literatuur te worden, maar om wereld te worden.

Deze maand in De leeswolf

screenshot_74.jpg

 

EEN VIS OP HET DROGE

Dit jaar verscheen de achtste, herziene druk van Alessandro Baricco’s essay De barbaren. Toen het boek in 2009 in het Nederlands verscheen (het verscheen oorspronkelijk in 2006) en ik een paar recensies over het boek en ook nog een interview met de auteur had gelezen, besloot ik dat ik dit zoveelste ‘beste boek van het jaar’ nu eens links zou laten liggen. Mijn tijd in dit ondermaanse is beperkt, en ik had wel wat beters te doen dan een boek te lezen van maar weer eens zo’n intellectueel die ging verdedigen wat hem zelf wezensvreemd was louter uit angst om niet bij de tijd te zijn. Zeggen dat diepgang niet bestaat, zoals Baricco in een interview deed, en dat op die manier voorstellen als juist de diepgang waartoe iemand die zich tegen zo’n constatering verzet niet in staat lijkt — het is vermoeiend. Je Grote Gelijk halen door te beweren dat het Grote Gelijk niet bestaat — wat een flauwiteit. Passons. Het voordeel van een goed vooroordeel is tijdwinst.

Maar was mijn vooroordeel werkelijk terecht? In de afgelopen jaren hoorde ik door mij gewaardeerde critici en wetenschappers in positieve zin over het boek spreken. Het boek is in de afgelopen jaren zoiets als een ijkpunt in discussies over culturele en andere waarden geworden — enfin, men refereerde er toch aan op andere plekken dan enkel aan de borreltafel of de cafétoog. En het boek kreeg die waardering juist omdat het in zijn omgang met wat de culturele waarden zou bedreigen een wat ander standpunt innam dan in de gebruikelijke cultboeken over de op handen zijnde apocalyps. Ik denk dan bijvoorbeeld aan De ondergang van het denken van Finkelkraut of, om een al heel oude bestseller van stal te halen, aan De cultuur van het narcisme van Christopher Lasch. Het feit dat er nu een herziene versie uitkwam, was misschien een goede aanleiding om het toch eens te gaan lezen.

Om met dat laatste te beginnen: de enige herziening waarvan sprake is, blijkt de toevoeging te zijn van een essay dat Baricco in 2010 op het online magazine Wired publiceerde. Het voegt bijzonder weinig toe aan het boek dat er al lag. En ik moet zeggen dat ik aanvankelijk ook veel spijt had aan dat boek alsnog begonnen te zijn. Baricco schreef de korte hoofdstukjes waaruit zijn essay bestaat oorspronkelijk als aflevering voor de krant La Repubblica. Of dat de reden is voor de toch wat merkwaardige toon van het geheel weet ik niet goed. Ik stel me voor dat ik ook als krantenlezer behoorlijk geïrriteerd zou raken als ik voortdurend word aangesproken als iemand die niet helemaal goed bij zijn hoofd is. De auteur probeert me namelijk na iedere samengestelde zin met meer dan een bijvoeglijk naamwoord gerust te stellen. Hij vraagt me voortdurend mijn geduld niet te verliezen als iets volgens hem wel heel erg moeilijk dreigt te worden. ‘Snap je er niets van?’ vraagt hij mij nadat hij in de eerste pagina’s in mijn ogen nog niets anders dan onnozelheden heeft gedebiteerd. ‘Logisch, het boek is nog niet eens begonnen’. Elders, na blijkbaar weer iets wat moeilijk en ingewikkeld geweest is, schrijft hij dat ik me nu even mag ontspannen. Ik mag even uitblazen van meneer de schrijver.

Baricco zit met andere woorden voortdurend op zijn hurken en spreekt de lezers toe als waren het kleuters. Correctie: hij heeft een toon gekozen waarvan hij zelf gedacht moet hebben dat ze het beste zou passen bij een publiek van barbaren. Zelf verkeert hij ‘tussen mensen die hebben gestudeerd, mensen die nog studeren, verhalenvertellers, theatermensen, intellectuelen, dat soort lieden’. Hij noemt dat ‘een vreselijk wereldje’ — en alweer lijkt hij daarmee de halve debiel die hij zich als zijn lezer voorstelt, ter wille te willen zijn. Dat hij daardoor juist extra arrogant, want paternalistisch overkomt, lijkt hem te ontgaan. Nog even los van het feit dat hij zich met deze toon richt op diegenen die hem volgens hemzelf niet zullen lezen. Barbaren lezen geen boeken meer en zelfs de relatief korte krantenstukken waaruit het boek bestaat zijn voor de gemiddelde barbaar al veel te lang en veel te ingewikkeld. Te ‘diep’.

Die barbaar moeten we zien als een mutatie, schrijft Baricco. ‘Wat betreft het doorgronden van waaruit die mutatie precies bestaat, kan ik alleen maar zeggen dat die volgens mij op twee belangrijke pijlers steunt: een ander idee van wat ervaring is, en een andere opstelling van de betekenis in het weefsel van het bestaan.’ (U mag na deze zin even uitblazen van mij). Vroeger was ervaring een reis naar de diepte, zo stelt Baricco, een zoektocht naar de aard van de dingen, in een poging om tot een persoonlijke verhouding met die dingen te komen. Nu gaat het er veeleer om zoveel mogelijk dingen tegelijkertijd te doen; ervaring is gelijk aan bewegen. Het gaat niet langer om wat er wordt gecommuniceerd, maar om het communiceren zelf. Men begeeft zich niet langer van het één naar het ander om in iets door te dringen, om er de (ware) betekenis van te ontdekken; de betekenis is vandaag die beweging zelf. ‘Het oppervlak in plaats van de diepgang, snelheid in plaats van reflectie, sequenties in plaats van analyse, surfen in plaats van verdieping, communicatie in plaats van uiting, multitasking in plaats van specialisatie, plezier in plaats van inspanning. Een systematische ontmanteling van het hele mentale arsenaal dat ons is nagelaten door de negentiende-eeuwse, romantische burgercultuur’, zo vat Barrico het aan het slot van zijn betoog nog eens samen.

Je zou dit een min of meer adequate omschrijving kunnen noemen van de veranderingen die zich de laatste vijftig jaar in de westerse wereld hebben voltrokken, veranderingen die nog in een stroomversnelling raakten toen de computer, en nog iets later het internet hun intrede deden in het dagelijkse leven. Maar toch zit er in Baricco’s aannames iets grondig scheef. En ik vrees dat de fout schuilt in wat nu juist de centrale aanname van zijn essay is. Voluit heet het boek immers De barbaren. Essay over de mutatie. Die term uit de biologie moet ons geruststellen, zoals Baricco voortdurend probeert om de beschaafde mens gerust te stellen — enfin, zijn invulling van die beschaafde mens dan toch (een angstige, door enkel vooroordelen van hoogculturele snit gestuurde, min of meer aristocratische geest — een karikatuur kortom). Beethoven, zo schrijft hij, werd in zijn eigen tijd als een barbaar gezien, omdat hij de diepte van de menselijke ervaring elders zocht dan tot dan toe gebruikelijk — en kijk, voor de in se nog steeds door de romantiek geleide cultuurmens van vandaag is Beethoven nu een van de standaarden. Het gaat om een natuurlijke ontwikkeling, zeg maar, en daar kun je nou wel tegen willen protesteren — het is nu eenmaal zo.

Maar Beethoven was geen ‘mutatie’. Beethoven brak met de traditie door er op voort te bouwen. Hij, de romantiek in het algemeen, herdefinieerde de verhouding tussen sterfelijkheid en eeuwigheid; hij ontkende die niet. De romantiek situeerde de mens nog steeds daar waar hij in het verleden altijd al werd gesitueerd: in een bepaalde verhouding tot het transcendente, tot dat wat hij niet was en niet kon zijn. De barbaar zoals Baricco hem omschrijft, herdefinieert helemaal niks. Hij schaft alleen af.

‘De beweging is de hoogste waarde. De barbaar is in staat daarvoor alles op te offeren. Zélfs zijn ziel’, schrijft Baricco. Dat hij die ‘ziel’ vervolgens omschrijft als iets wat voortkomt uit een historisch proces ‘dat een begin heeft gekend en waarschijnlijk ook een einde zal hebben’ is op zich legitiem, maar zou er logisch gezien toe moeten leiden dat wat voorheen ‘ziel’ heette nu een andere naam krijgt. Maar de ruimte tussen onze sterfelijkheid en de eeuwigheid, tussen het leven en de dood, is in Baricco’s definitie van de barbaar gewoon weggestreept. We zijn geen ‘mens’ meer — noch in de klassieke, noch in de middeleeuwse, de renaissancistische en dus ook niet langer in de romantische zin van dat woord — we zijn enkel nog proces, deel van een machinerie die ons voortstuwt.

Zo bezien is het wat merkwaardig dat Baricco gedurende het hele boek zijn mutant voorstelt als een willend wezen, als iets wat de veranderingen die zich voordoen bewust stuurt, vanuit een kern die het dus tegelijkertijd niet kan hebben (nog even afgezien van het feit dat je een mutatie niet kunt willen). Ik geloof er niets van. Het wezen dat Baricco ons voorschotelt heeft alle kenmerken van de consumens, van een mens die door de almachtige markt gedwongen wordt tot consumeren, tot het najagen van kortstondige, vaak materiële verlangens die zo snel mogelijk vervuld moeten worden zodat er nieuwe, even kortstondige verlangens nagejaagd kunnen worden. Het is daarom dat bewegen de hoogste waarde is. Er moet geld verdiend worden. Het is een analyse die volledig ontbreekt in Baricco’s essay. Hij heeft het wel even over barbaren die de taal van ‘het Imperium’ spreken, zijnde de VS — maar nergens legt hij de link tussen dat Imperium, de kenmerken van het neoliberalisme en zijn mutant. Over dat neoliberalisme wordt inderdaad niet zelden gesproken als betrof het een natuurkracht. Maar het gaat daarbij om een ideologische keuze. De dominantie van die ideologie verdoezelt dat — blijkbaar ook voor Baricco.

Het zou goed zijn als Baricco het recent verschenen Identiteit van Paul Verhaeghe eens zou lezen — een auteur die de link tussen de veranderde mens en het neoliberalisme wél legt en er meteen ook de desastreuze gevolgen voor die mens in termen van geestelijke gezondheid en welbevinden uit afleidt. Baricco stelt de mutant steeds voor als een mens die kieuwen krijgt en dus overgaat tot een andere manier van ademen, een manier van ademen die wij — wij beschaafden — ons niet kunnen indenken. Verhaeghe maakt duidelijk dat het daarbij om een vis op het droge gaat, wanhopig happend naar adem, en ja, tot niets anders in staat dan een vorm van bewegen: spartelen.

Het feit dat de barbaar niet langer de essentie van het bestaan zoekt of wil formuleren, betekent eigenlijk alleen maar dat die essentie elders voor hem is geformuleerd. Baricco ziet het niet. Hij zit zelf verstrikt in één van de netten die de romantiek heeft gespannen: de behoefte om ‘het andere’ voorrang te geven op ‘het bestaande’. Het is de gedachte van het romantisch genie die tegen de gevestigde waarden ingaat om zo het nieuwe, tot dan toe onvoorstelbare, zelfs ongekende aan het licht te brengen. Baricco voert die idee door tot op het punt van zelfdestructie. Er spreekt een diep verlangen uit toch vooral niet voor conservatief door te gaan. Maar juist daardoor kiest hij voor ‘the world as it is’, gedefinieerd door een ideologie die hij niet als sturende kracht lijkt te erkennen, en sluit hij u en mij op in een mensbeeld waarvoor volgens diezelfde ideologie geen alternatieven zouden zijn.

In: De Leeswolf 7, oktober 2012, p. 484-485.   

Nablussen

248517_384505454956755_423354096_n.jpg

En prompt verschijnt er een Standaard der Letteren waarin van de tien besproken boeken er maar liefst drie vijf sterren krijgen, drie boeken vier sterren, drie boeken krijgen drie sterren en één boek maar twee sterren. Ik zou zeggen: dat gaat de goede kant op. 60% van de besproken werken is minimaal ‘uitstekend’, de helft daarvan is zelfs ‘onmisbaar’, en als je de titels met drie sterren er nog bijtelt, dan moet je vaststellen dat deze week 90% van de besproken boeken ‘goed’ wordt bevonden.

In haar redactioneeltje, ‘Overboekt’, doet chef Veerle Vanden Bosch vandaag dan ook nog eens wat Cloostermans naliet: illustreren waarom Inghels’ boek tekort zou schieten. Daarmee lijkt ze Cloostermans in bescherming te willen nemen, maar in feite bevestigt ze slechts dat Cloostermans’ recensie die naam niet waardig was (enfin, de bespreking van Inghels was deel van een stapelrecensie). Ze laat op zijn best zien waarom Cloostermans geen zin had om zijn ergernis te motiveren en waar die ergernis vandaan kwam. Misschien had ze beter iets eerder ingegrepen en voordat ze C’s artikel plaatste even aan hem gevraagd om een en ander goed te motiveren? Aan het slot van haar stukje schrijft ze: “Meer dan bij een brandend A4’tje was Maarten Inghels gebaat geweest bij een degelijke redactie”. Maar had de lezer niet meer aan Cloostermans’ recensie gehad als zij zelf op voorhand wat redactie had gepleegd op zijn stuk? 

Intussen wordt er op mijn Standaard-stuk nog het meest gereageerd vanuit de… hoe zal ik het noemen? — de klassieke culturele reflex? (Ik ga dan even voorbij aan een stukje dat Frank Hellemans op de internetpagina’s van Knack publiceerde — het stond oorspronkelijk hier, maar nu vind ik het niet meer terug. Het was bedoeld als een vooral persoonlijke afrekening, zo leek het. Hij had slecht gelezen, suggereerde dat ik voor boekverbranding was, dat ik vond dat recensenten mij alleen positief mochten bespreken, want in zijn ogen kan het niet anders of alles wat ik doe is ter meerdere eer en glorie van mijzelf, iets waar hij, Frank Hellemans, persoonlijk een stokje voor zal steken!  Verder meende hij nog: “Schrijvers die de literatuur ernstig nemen, hebben baat bij negatieve recensies om te weten of hun marsrichting de goede is.” Kortom, we moeten Frank bellen voordat we zelfs nog maar aan een boek beginnen; hij zal ons dan zeggen of we goed bezig zijn. Enfin, het was een idioot en zurig stukje — misschien dat het daarom van het net is gehaald?)

Maar uit de meeste reacties blijkt dat men denkt dat mijn pleidooi voor enkel positieve recensies in de dag- en weekbladen de bedoeling heeft om de vrijheid van meningsuiting in te perken. Terwijl het mij er nu juist om gaat dat die vrijheid van meningsuiting op die plekken niet of nauwelijks meer bestaat. De wet van de markt dicteert voor een groot deel de keuze van de te bespreken werken en de wijze waarop in bijlages met boeken wordt omgegaan (meer human interest, meer kortere stukken, minder motivering, het sterrensysteem). De gefundeerde, binnen de traditie van de literatuur en de literatuurkritiek wortelende recensie is daar niet langer gewenst. Telkens weer moet ik herhalen dat ik uiteraard het liefste zag dat de context waarbinnen de literatuur en literatuurkritiek oorspronkelijk stonden, nog maatgevend was voor wat er ook in bijlagen gebeurt. Maar dat is niet meer zo. De context is economisch, niet langer cultureel. En daar moet ik altijd aan toevoegen: niettegenstaande de bedoelingen van hen die voor die bijlagen werken, van wie de meesten niet lijken te zien op welke wijze de economische context hun mogelijkheden bepaalt.

Ik denk dat veel mensen het te cynisch vinden. En het is zeker als realiteit iets waartegen ook ik me wil blijven verzetten — onder andere door juist binnen die economische context het literair waardevolle boek naar voren te schuiven in een enthousiasmerend betoog dat laat zien waarom dat boek literair waardevol is en waardevolle literatuur relevant. Ik zie met andere woorden in het pleidooi voor de positieve recensie niet de toegeving aan marketingpraatjes van grote uitgeverijen en hun colporteurs, of aan de grote boekhandelketens die geen boeken maar ‘units’ verkopen — maar vanuit mijn oogpunt is het juist een poging om de literaire waarde op de agenda te krijgen in een context die aan die waarde geen boodschap heeft als ze niet onmiddellijk in economische termen uitgelegd kan worden.

Maar kijk, vandaag viel de nieuwe Leeswolf op de mat — een tijdschrift vol positieve én negatieve recensies, bedoeld voor mensen die van literatuur houden, en verschenen in een context waarin het debat over literatuur nog wél bestaat. Een kleine kring, helaas, al zou ik willen dat de stukken die in dit blad staan ook gewoon in de krant mogelijk waren. Dat dat niet het geval is blijkt misschien uit het feit dat allerlei recensenten die vroeger voor de literatuurbijlagen van dag- en weekbladen schreven, nu voor De Leeswolf zijn gaan schrijven. Daar kun je nog kwijt wat in de krant niet meer kan en niet meer mag. Ik ken in die kringen niemand die dat niet betreurt.