
Persklaarmakers zijn een pest en een zegen. Bij Querido werkt een hele goeie, al heeft hij een iets te grote allergie voor leestekens, naar mijn zin, met name voor de komma. Zelfs tussen twee op elkaar volgende persoonsvormen haalt hij ze soms weg. Nu lees ik de laatste jaren veel Duits, en in die taal is er natuurlijk sprake van een ware kommaritis. Maar ik zet toch vaak komma’s terug waar hij ze wegstreepte.
Ooit schreef hij in de kantlijn bij een passage waarin de hoofdpersoon naar een aantal foto’s zit te kijken van een toneelstuk ‘waarvan hij de titel niet wist’ (foto’s met daaronder de tekst die op het moment van de foto gesproken werd), dat het om dat-en-dat toneelstuk van die-en-die auteur ging, maar dat ik dat natuurlijk wel wist. De foto’s bestonden echt, het toneelstuk ook, maar ik had zelf titel noch auteur terug kunnen vinden. Hij wel.
Een persklaarmaker behoedt je ook voor personages die met hun linkerhand een vork oppakken om even later met hun rechterhand in een biefstuk te zitten prikken. Of voor een raam dat eerst gesloten was en nu blijkbaar openstaat, want waar komt anders die tocht vandaan? Verder herstelt hij discreet dt-fouten en tante betjes, hoewel ik op het vlak van woordvolgorde ook nog wel eens ruzie heb met de officiële regels van de Nederlandse taal. Niet alles wat correct is, is mooi.
Ritme is voor mij belangrijk, klank, zinsmelodie – ja, ook in proza. Het maakt dat ik bij het doornemen van de door de persklaarmaker geredigeerde tekst heel vaak naar mijn scherm zit te roepen en te blazen: ‘maar nee, zie je nou niet dat…’. ‘Ja, kan wel zijn dat het zo grammaticaal misschien meer volgens de regelen der kunst is, maar ik wíl het niet op die manier’. Ik kan dat ook hebben wanneer de krant een in haar ogen wat al te literaire zin terugbrengt tot het hondenboerenfluitjesproza dat in een krant gebruikelijk is – afhankelijk van wat men schrijft: in een column wordt het eerder geaccepteerd dan in een opiniestuk. Soms wordt wat ik als ironie bedoelde uiteindelijk geschrapt (want, zo is mijn indruk, niet begrepen). Ik zie dat dan in het stuk dat de volgende dag verschijnt. Maar dat is de krant. In mijn proza, echter…
Niet dat een tekst heilig is. Een van de dingen die je als schrijver al snel leert, is dat je afstand moet nemen van wat je hebt geschreven, in het extreemste geval (vaak al gedurende het schrijven zelf): dat je prachtige passages toch moet schrappen. Kill your darlings. Op mijn computer is er een map die ‘Resttekst’ heet: tegen beter weten in bewaarde, ooit geschrapte teksten waarmee ik denk ‘misschien ooit nog iets te kunnen doen’. Ik weet allang dat dat niet zal gebeuren, dat die fragmenten voorgoed verloren zijn, geschreven werden in een context die met het beëindigen van het boek verdwenen is.
Nu is het al lang geleden dat ik een poëziebundel uitbracht, en in poëzie zijn de afwijkingen van wat de grammatica voorschrijft een nog gevoeliger punt dan in proza. Niet dat mijn persklaarmaker dat niet weet, want sommige ongrammaticaliteiten laat hij netjes passeren, zo lees ik in de juist binnengekomen persklaarversie. Maar bij andere brengt hij correcties aan die het ritme totaal verstoren, vraagt hij zich af of ‘me’ in ‘wil het me weten’ niet beter geschrapt kan worden, want, nou ja, het is toch niet ‘zich weten’, maar gewoon ‘weten’ (denk ik dat hij gedacht heeft – niet ten onrechte natuurlijk). ‘Nee man!’ buldert het in mijn hoofd, júíst hier is het reflexieve op zijn plaats. Dat-ie dat niet ziet!
Maar waar het natuurlijk vooral om gaat, is dat dit soort correcties me nog eens goed doet nadenken over de afwijkingen die ik me permitteer, en waarom dat daar op die plaats per se moest en nog steeds moet. Het hoort bij het afstand nemen van wat zich haast fysiek in mij heeft vastgezet. Ik doe erg veel op intuïtie wanneer ik schrijf, op instinct misschien. Ik heb ooit een heel boek geschreven waarbij ik tijdens het schrijven echt geen idee had waarover het nu eigenlijk allemaal ging (Zout). Het enige wat ik wist: het is goed, ja, het is heel goed, ik moet doorgaan. Het was als muziek. Mijn verbazing toen Ruth Joos in een radiointerview suggereerde dat het een boek was over ecologie, was niet gespeeld. Ik realiseerde me op dat moment alleen maar dat ik me slecht had voorbereid op de wereld die met mijn boek aan de haal zou gaan. Hoewel men als schrijver weloverwogen het verhaal vertelt zoals men het vertelt, moet men voor de andere media (literatuur is ook een medium (dat is net het probleem)) nóg een verhaal klaar hebben, een op de eisen van het specifieke medium toegesneden versie van wat natuurlijk voor een auteur alleen in zijn oorspronkelijke vorm de werkelijke zeggingskracht heeft die men beoogt.
Intussen valt Berlijn weer in al zijn zomerse heerlijkheid over me heen. De woning in de Schönhauser Allee is me inmiddels zo vertrouwd dat ik blindelings strijkijzers, schuimspanen, extra matrassen en, ondanks de wat weerbarstige afstandsbediening, zelfs alle Duitse zenders op tv vind. En natuurlijk is er, zoals alle zomers de laatste vijf jaar, het Globe Theater, waar ik eergisteren Anette Daugardts bewerking van Stefan Zweigs 24 Stunden aus dem Leben einer Frau zag, de tekst die ook deel uitmaakte van het project Kopfstein, waarvoor ik ook een tekst leverde. Kopfstein werd, vanwege Corona, geen theatervoorstelling, maar een filmproject. Uwe Neumann nam toen mijn tekst voor zijn rekening. (Kopfstein is hier te zien). Al eerder, direkt na aankomst in Berlijn, zag ik ook nog de versie die Uwe en Anette van Orwells 1984 maakten – een stuk waarvan ik al eerder een toen nog als leesvoorstelling geconcipieerde versie zag.

Tussen de filmische vertolking van Zweigs – door Anette bewerkte – tekst, en de voorstelling die ik gisteren zag, zit een wereld van verschil. De lijflijke aanwezigheid werkt sterker dan de film. Anette trekt de toeschouwers dwingender in het verhaal, en dat met minimale theatrale effecten. Het was nog mooier geweest wanneer er voor het aanzetten van de muziek e.d. een technicus aanwezig was geweest in plaats van dat het (eerder ongewild, leek me toch) onderdeel van de voorstelling was, maar zo werkt het niet in deze Freilichtbühne, waar met minimale middelen getracht wordt het maximale effect te bereiken. De kwetterende vogels, de langzaam zakkende zon, de roepende kinderen op een speelplaats in de buurt – het hoort er allemaal bij.
De tekstbewerkingen die ik Uwe en Anette zie maken, zijn ook een vorm van redactie uiteraard. Men had bij Zweigs tekst andere keuzes kunnen maken dan Anette gedaan heeft; haar eigen preoccupaties speelden bij het (her)schrijven van de tekst een rol. Ze is al langere tijd op zoek naar teksten van, liefst, vrouwelijke auteurs waarin de meer gebruikelijke rollen nu eens ontbreken, het niet gaat om de vrouw als slachtoffer, maar om een mens die in zijn (haar) eigen kracht staat, als dat geen germanisme is. Ze is niet de enige die zich regelmatig verzet tegen het gegeven dat er voor oudere vrouwen eigenlijk geen interessante rollen geschreven worden. Nu is Zweig duidelijk geen vrouw, maar zijn werk werd destijds vooral door vrouwen genoten, en onder mannen gold hij als een al te vrouwelijke auteur. Als men hem nu leest, vraagt men zich af waarom eigenlijk.
Het gezelschap was als altijd goed, met als extra dat Jeroen Theunissen en zijn vriendin Lena Majri ook aanwezig waren, de laatste een jonge actrice die alles nog voor zich heeft, de praktijk van het theater maken dus niet zozeer ziet als iets waar de mogelijkheden met de toenemende invloed van het marktdenken steeds geringer zijn geworden, maar desalniettemin nu al ziet als een praktijk waarin niet veel mogelijk is. Er volgde nog een avondlijk restaurantbezoek in de Wilmersdorfer Straße, wat me nog maar eens in herinnering bracht dat dat men als acteur of actrice vaak op de raarste uren zijn maaltijden nuttigt.
Waarna iedereen in de nacht verdween: te voet, met de U-Bahn, de S-Bahn, de Straßenbahn.