
Verwalterhaus in Berlijn
Het voelde wat merkwaardig: een Duitse vertaling van het eerste hoofdstuk van Zout voorlezen (gemaakt door Birgit Erdmann), maar geen vertaling van het hele boek tot mijn beschikking te hebben. Ik heb serieuze pogingen ondernomen bij (na serieuze belangstelling van) Kanon Verlag, maar na een eerste gesprek volgde geen tweede, noch hoorde ik nog iets van de redactrice met wie ik gepraat had. Ik stuurde het vertaalde hoofdstuk plus wat opmerkingen uit recensies en artikelen over het boek naar Zsolnay Verlag in Wenen, nadat eerst de in Wenen woonachtige Kris Lauwerys me na lezing van het boek had laten weten dat hij al lezend meende het boek van een Duitse auteur te lezen. Het moest beslist in het Duits vertaald worden, meende hij, en hij was het die me Zsolnay suggereerde, een uitgever waarvoor hij als vertaler al had gewerkt. Bij de presentatie van Gaea Schoeters’ Het geschenk liep ik de redactrice van Zsolnay Verlag tegen het lijf (Schoeters’ uitgever), en spraken we af dat ik een en ander naar haar zou opsturen. Na enige tijd liet ze weten dat Zsolnay ‘niet aan historische romans’ deed, wat ik een verrassend perspectief op Zout vond, want een ‘historische roman’ zou ik dit kleinood niet noemen. Zodat ik vermoedde dat mijn profiel – oudere (witte) (cis-)man van boven de vijftig – hier misschien ook een rol speelde. Ik merk dat wel vaker. Ook bij kranten.
Hoe dan ook. Ilona Verhoeven en Nina Roos, die ik eerder had ontmoet op een verjaardagspartijtje hier in Berlijn, nodigden me uit om 2 juli in het Verwalterhaus aan de Prenzlauer Allee te komen voorlezen in een programma dat ‘Geisterbühne’ heet. Twee Nederlandse vrouwen in een Duits huis, dat overigens ook door een Nederlander, Niels Beugeling, geleid wordt. Ik overwoog even om een stuk uit Laatste man voor te lezen, dat ik zelf, met hulp van mijn Berlijnse vrienden, in het Duits heb vertaald – een vertaling die zeker nog nagelezen, nagekeken, wie weet nagesynchroniseerd dient te worden door een échte vertaler of vertaalster, want de correcties die mijn vrienden aanbrachten, maakten al duidelijk dat ik het Duits weliswaar goed beheers, maar dat vertalen om meer vraagt dan enkel goede beheersing. Ik was tijdens het vertalen ook al dingen tegengekomen die ik onmogelijk kon vertalen. (Hoe vertaal je: ‘Klukkluk in het teutoons’ – nog afgezien van de vraag of Nederlandse lezers nog weten wie Klukkluk ook alweer was). Speciaal voor mijn vrienden plaatste ik hier en daar een voetnoot (over Willem – of ‘Vadertje’ – Drees, bijvoorbeeld).
Het Verwalterhaus is een geweldige plek die ik tot nu toe nog niet had ontdekt. Het huis staat op de kruising van de Prenzlauer Allee en de Torstraße, twee grote verkeersaders, op tien minuten wandelen van Alexander Platz. Het was oorspronkelijk het huis van de beheerder van het Friedhof St. Marien und St. Nikolai, een kerkhof dat niet meer wordt gebruikt en dat langzaam, maar op een prachtige manier, in verval lijkt te zijn – of misschien moet je gewoon zeggen dat de natuur het er langzaam aan het overnemen is. Het huis is nu een broedplaats voor cultuur, en als ik zeg ‘broedplaats’ dan bedoel ik dat het geen gladgeboende, keurig geverfde culturele instelling is, maar een enigszins onderkomen pand met bladderende verf aan het plafond, een pand met de allure van een kraakpand. Berlijn (en gelukkig ook andere steden wel) heeft altijd van die plekken gehad; heel Prenzlauer Berg was, zowel voor als direct na de Val van de Muur zo’n wijk waar kunstenaars in bouwvallige panden hun thuis vonden (‘Balkonsturtz’ was een veel voorkomend fenomeen: balkons die plotseling van een gevel naar beneden kwamen) – niet te vergelijken met de nu keurig aangeveegde wijk, waar de Duitse variant van de bakfietsvlaming de scepter zwaait. Maar er zijn dus nog plekken waar de gentrificatie nog niet heeft toegeslagen, de prijzen van de drankjes democratisch zijn en waar er géén Apérol Spritz geserveerd wordt.




De ‘Geisterbühne’ is een soort open podium, al bleef het de 2de juli beperkt tot de invités, naast mijzelf, Ilona Verhoeven en Nina Roos nog Robert Klages en Andrea Schomburg, en met muziek van een vrouw die zich Moriaariava noemt. Van Robert Klages waren er door het hele gebouw ook foto’s te zien: ‘Zwischenleben, Verdrängung und Freiheit im Osten Berlins’, over mensen die op een radicale wijze de randen van de stad opzoeken, in bosjes, op verdoken plekken onderkomens hebben gebouwd met wat men ook maar vinden kon. Het zijn mensen die zich onttrekken aan wat de wereld voorschrijft, soms uit nood, soms uit overtuiging. In de begeleidende teksten bij de foto’s las je geregeld dat de geportretteerde niet met naam en toenaam vermeld wilde worden; anderen gebruikten een schuilnaam. De foto’s laten zien waar onze veelgeroemde vrijheid ophoudt.
In het gesprek nadien ging het nog eens over Duitse uitgevers. Zowel Andrea Schomburg als Robert Klages hebben grote moeite een uitgever te vinden voor hun werk. Volgens Klages was het na corona nog moeilijker geworden, omdat uitgevers alleen nog maar uit lijken te zijn op commercieel succes. Zeker als auteur uit het buitenland moet je goede verkoopcijfers in eigen land meenemen om überhaupt een kans te maken om in aanmerking te komen voor vertaling.
Het gaat niet alleen om verkoopcijfers, maar ook om vooronderstellingen bij wat de verkoop zou kunnen garanderen. Dit werd een aantal dagen later nog eens bevestigd toen ik een interview en voordracht bijwoonde van de Georgische auteur Zaza Burchuladze. Hij werd geïnterviewd door Martin Jankowski, en Uwe Neumann las vertaalde fragmenten voor uit zijn roman Zoorama. Burchuladze was geen vrolijke Frans. Hij beantwoordde de (ook niet bijster intelligente) vragen met tegenzin en excuseerde zich, zonder dat dat nodig was, voor het feit dat hij iedereen in de zaal zat te vervelen. Introvert, noemde hij zichzelf, iemand die liever schrijft dan dat hij voor een publiek zit (ook al iets waar veel uitgevers niet blij mee zijn), en die bijna tot tranen toe geroerd was toen hij hoorde hoe Uwe Neumann zijn teksten voordroeg. In die voordracht klonk geen depressie door, maar juist een fijnzinnige, absurde humor.

In het gesprek zelf vermeldde Burchuladze dat de Duitse uitgever dertig procent van de oorspronkelijke Georgische tekst in de Duitse vertaling had geschrapt. Hij haalde wat hulpeloos zijn schouders op als om aan te geven dat er niets tegen te beginnen was. Hij gaf als voorbeeld een zin waarin het ging over het doden van kinderen. Dat was te heftig, volgens de Duitse uitgever. En zo zal er meer in het boek op al dan niet zogezegd ‘politiek-correcte’ gronden door de uitgever zijn geschrapt. Het publiek moet beschermd worden tegen alles waartoe de mens in staat is, met als achterliggende gedachte dat alle literatuur een spiegel moet zijn waarin iedereen zich herkent. Terwijl literatuur pas literatuur wordt als zij de deur opent naar wat je niet kent, maar onvervreemdbaar (hoe spijtig soms ook) deel uitmaakt van wie of wat een mens is.
Dat doen niet alleen uitgevers, zo is recentelijk nog maar eens duidelijk geworden. Ook subsidiërende instanties leggen in toenemende mate op voorhand op wat wel en niet geschreven kan en mag worden. Je denkt nu: dat zal dan wel van extreemrechts komen, en ja, ook uit die hoek worden banvloeken uitgesproken over literatuur; er worden zelfs weer boeken verbrand (zoals die van Burchuladze in Georgië; de man is niet voor niks naar Berlijn gevlucht). Maar ik sprak de nog immer door Duitsland toerende Gaea Schoeters hier in Berlijn, en wat denk je? Ons eigenste Literatuur Vlaanderen heeft bij monde van de beoordelingscommissie proza laten weten dat haar boek Het geschenk racistisch is. Tjonge jonge. Zelf hoorde ik ooit een verhaal van een commissielid dat in tegenstelling tot alle andere commissieleden mijn werk wél kent, dat men ooit opperde om mij een ‘waarschuwing’ te sturen, omdat ik in een werkplan had geschreven dat ik een boek wilde schrijven waarin ik, los van de vigerende opvattingen over wat politiek correct is en wat niet, de diepte in wilde duiken. Het betreffende commissielid had het afgeraden, wel wetend dat als ik zo’n ‘waarschuwing’ ontvangen had Vlaanderen te klein zou zijn geweest voor mijn woede en verontwaardiging. Ook Literatuur Vlaanderen is dus, net als de extreemrechtse bende aan de andere kant van het spectrum, bezig een Leitkultur te installeren. Van welke kant het ook komt: het is de dood van de literatuur, van alle vrije kunsten. Ik schreef hier al eerder over naar aanleiding van een artikel van Michiel Vandevelde in Rekto Verso.