Niet ieder interview biedt je de gelegenheid om het niet alleen maar over de inhoud te hebben, of over een bepaald aspect van de inhoud, maar ook te komen tot wat Martinus Nijhoff wel ‘apothekerpraatjes’ noemde: de technische aspecten van het schrijven, zo zou je kunnen zeggen. Ik hoor natuurlijk vaak dat ik veel lange zinnen schrijf. Dat is zo. Maar soms ontstaat de indruk dat men denkt dat ik lange zinnen schrijf omdat ik per se lange zinnen wil schrijven. Ik wijs dan op de vele korte zinnen in mijn romans. De vaak hyperkorte beginzinnen van mijn romans. ‘Rega was gelukkig’, zo staat er op de eerste bladzijde van Het grote uitstel. De beginzinfetisjisten – zij die op basis van beginzinnen menen te kunnen zeggen of een boek goed is of niet – hebben hieraan een harde dobber. En als je de eerste zin van het eerste hoofdstuk van Laatste man als beginzin leest – en de ellenlange zinnen uit het nulde hoofdstuk even niet meerekent – dan begint ook die roman hyperkort: ‘De bal was fluororanje.’
Hoe dan ook, in het gesprek dat ik met Amedeo Durnez had voor zijn podcastreeks ‘We moeten het over literatuur hebben’ – een inmiddels indrukwekkende reeks gesprekken met auteurs en uitgevers – was er in ieder geval ruimte om het naast het wát van literatuur over het hóé ervan te hebben. Omdat ik voor dat laatste niet een of ander kant en klaar theoretisch kader heb, is het spreken over de vorm en over de totstandkoming van specifiek die vorm altijd een beetje zoeken, een zoeken waar armgebaren bij horen. Ik wuif wat af, gedurende dit gesprek. Niet alleen maar wanneer het over de vorm gaat; ook als het over de inhoud gaat heb ik soms handen en voeten nodig. Het gaat om de gelijktijdigheid van het verlangen naar gemeenschap én het verlangen naar individuele vrijheid: op willen gaan in een groter geheel waarin men om de dooie dood niet wil opgaan. Zoals men kan verlangen in een ander te verdwijnen, maar liefst zonder zichzelf te verliezen. Of zoals de doodsangst en het drama in mijn boeken de humor en de lichtvoetigheid niet uitsluiten.
Kortom, in dit interview komen we dicht bij wat de kern van mijn schrijverschap uitmaakt, al klinken er meer ‘eh’s’ zodra we er te dicht bij komen. Ik heb altijd Karel Appels uitspraak ‘Ik rotzooi maar wat aan’ een flauwe provocatie van de o zo onmaatschappelijke kunstenaar gevonden (kijk mij eens schijt aan de wereld hebben). Maar ik moet toegeven: ook ik doe maar wat, ik luister naar wat ik geschreven heb, en net als bij muziek: ik weet alleen intuïtief dat het zo goed is, en niet anders. Maar waarom dat zo is… Ik moet mijn diploma letterkunde weer inleveren, vrees ik.