Enige tijd geleden vroeg de Rijksuniversiteit Groningen mij of ik zin had om dit jaar het gedicht te schrijven dat aan alle jarige alumni van de universiteit op de dag van hun verjaardag wordt toegestuurd. Nu was ik zelf al vergeten dat ook ik op mijn verjaardag ieder jaar zo’n gedicht toegestuurd had gekregen, en ik vroeg me af hoe mijn voorgangers met de opdracht waren omgegaan. Joost Oomen schreef er ooit één, Tonnus Oosterhoff, Ellen Deckwitz, Ruben van Gogh, Jean Pierre Rawie – om enkele meer bekende dichters te noemen. Is bij zo’n opdracht nostalgie te vermijden? Kan zo’n gedicht iets anders zijn dan een herinnering aan de vergankelijkheid, omdat het onvermijdelijk teruggrijpt naar een tijd die voorbij is?
Ik moest denken aan mijn laatste bezoek aan Groningen. In 2024 was ik te gast bij Dichters in de Prinsentuin. Dat vond ergens midden juli plaats. Omdat ik de laatste jaren de hele maand juli in Berlijn verblijf, reisde ik van daaruit naar Groningen om er twee dagen en nachten te verblijven. Ik had tijd om wat door het centrum te dwalen. Over wat ik er ervoer, maak ik altijd dezelfde grap: dat men de stad inmiddels heeft verbouwd en men vergeten is om mij te vragen of dat wel mocht. Het is een vreemde ervaring om te merken dat een stad waar je 17 jaar hebt gewoond in wat toch zeer belangrijke levensjaren waren (studententijd en wat daarna nog kwam) je tegelijk vertrouwd en vreemd is. Sommige oude cafés zijn er nog, sommige hebben een andere naam, er zijn er nieuwe bij. Hier en daar staat een nieuw gebouw – het bekende ‘Forum’ bijvoorbeeld, een reusachtig, schots en scheef ogend gebouw dat vlak bij de Martinitoren die toren naar de kroon steekt (zo’n gebouw dat, net als dat van de Gasunie en dat van het Groninger Museum destijds, een geval van provinciale overcompensatie lijkt te zijn). Maar misschien waren het vooral de mensen die er rondliepen, de studenten die in deze kleine universiteitsstad altijd prominent aanwezig zijn en die iets totaal anders uitstraalden dan wat ik me herinnerde van mijn eigen generatie. De stad lijkt, zoals bijna alle grote steden (inclusief de stad waar ik nu al zo’n 28 jaar woon), vooral hedonisme uit te stralen, en de meer subculturele rafelranden die zij nog wel had in de jaren tachtig, lijken weg-gerenoveerd te zijn. Was ik er blijven wonen, dan was me dat alles niet, of toch veel minder opgevallen dan nu.



Nu heb ik een (ik zou bijna zeggen: zorgvuldig gecultiveerd) talent om me buitengesloten, ontheemd te voelen, een talent dat me niet zelden in de weg zit om me ergens daadwerkelijk te vestigen. Met het ouder worden uit zich dat niet zelden als juist nostalgie naar plekken waar ik me dan blijkbaar wel thuis gevoeld zou hebben. Een bezoek aan een literair festival in De Lutte met overal de Tukkers tussen wie ik opgroeide, met hun typische tongval die ik mezelf (in Groningen) heb afgeleerd omdat ik toen niet geassocieerd wilde worden met het provincialisme waarvoor het voor mij stond – het wekt even de illusie dat ik ‘thuisgekomen’ ben. En het is waar, ik begrijp die mensen zonder al te veel woorden, omdat ik de gebaren, de mentaliteit, de humor ook, met de paplepel ingegeven heb gekregen – maar tegelijkertijd weet ik dat ik nooit werkelijk tot hen heb behoort, dat mijn ouders van wel 40 kilometer (!) westwaarts kwamen, uit een dorp aan de IJssel, met elkaar een Gelders dialect spraken, en met de kinderen ‘Hoog Hollands’, zij het dat wij dat dan met het Twentse accent spraken dat wij op school en op straat oppikten, en met uitdrukkingen die niet tot dat hoge Hollands gerekend konden worden – wij deden de deur niet open, maar ‘los’, om maar iets te zeggen. Mijn ouders woonden meer dan twintig jaar in Goor, maar hadden altijd het gevoel dat ze niet werkelijk bij de harde kern van autochtonen werden gerekend. Een beetje ‘import’, toch altijd, hoezeer ze ook tegelijkertijd wel degelijk hun plek hadden in het sociale weefsel. En ik probeerde in een jeugdsoos in het nabijgelegen Diepenheim mijn hoofd boven water te houden door mezelf het dialect min of meer aan te leren; het leek een voorwaarde om geaccepteerd te worden. Dat ik het nu niet meer zou kunnen spreken, geeft al aan dat het oppervlakkig bleef.
En zo kan ik ook Groningen tot thuisstad verklaren zonder dat ik er ooit werkelijk thuis geweest ben. Ik werd weliswaar (en, typerend: tot mijn ongenoegen) bij mijn debuut als ‘Groningse dichter’ in de pers geïdentificeerd, en er zijn tot op de dag van vandaag nog steeds mensen die menen dat ik in Groningen geboren ben, maar ik bleef natuurlijk toch een passant. Ik vraag me af of ik dat ook zo zou omschrijven wanneer ik er was blijven wonen. Het Gronings ben ik natuurlijk nooit machtig geworden, maar met het Gronings accent pak ik nog graag uit in sommige van de verhalen die ik vertel (al maakt dat accent in Vlaanderen dat men de verhalen niet begrijpt). Ik zou over Groningen echter nooit zo kunnen schrijven als bijvoorbeeld Nanne Tepper heeft gedaan, en de melancholie die in de liedjes van iemand als Ede Staal te horen valt (die ik nog persoonlijk heb gekend; de man was mijn stagedocent in een school in Woldendorp toen ik aan de Nieuwe Lerarenopleiding studeerde), is voor mij zowel volkomen herkenbaar als volkomen vreemd, omdat een dergelijk gevoel voor mij nooit verbonden kan zijn met het vlakke Groningse landschap, maar wel met het coulisselandschap van mijn jeugd.
Maar natuurlijk gaat het bij wat ik in 2024 in Groningen meende te zien niet enkel om de plek. Het gevoel van thuis en thuisloosheid is direct verbonden met de onbarmhartige werking van de tijd. In een stad waar je lang hebt gewoond, die je lang als de jouwe hebt beschouwd, die je zelfs niet verruilde voor bijvoorbeeld Amsterdam toen velen in (literair) Amsterdam na weer eens een redactievergadering van het tijdschrift De XXIe Eeuw in het pand van Bert Bakker, of van De Gids in het pand van Meulenhoff, vroegen wanneer ik nu eindelijk eens vanuit Groningen naar Amsterdam verhuisde, want na zo’n vergadering ‘nog weer hélemaal terug’ naar dat o zo verre Groningen (185 kilometer over toen ’s nachts nog erg rustige snelwegen), dat was toch eigenlijk niet te doen – in zo’n stad het bekende als vreemd ervaren, heeft toch vooral te maken met het feit dat je jezelf in die stad niet meer terugvindt, dat je misschien wel weer op datzelfde terras bent neergestreken waar je vroeger ook zat, maar dat wie daar zit niet meer is wie daar zat. Het is alsof je aan jezelf ontbreekt. Of liever: het verleden waarin je hier thuis was, is verdwenen. Niet de plek, maar de tijd.
Dat werd uiteindelijk de aanzet voor het gedicht dat ik voor de universiteit schreef. Dat het ‘Rug’ heet is misschien wat flauw (de afkorting van Rijksuniversiteit Groningen immers), ware het niet dat het ook over een daadwerkelijke rug gaat, een herinnerde rug van iemand aan wie je misschien heel lang niet meer dacht, iemand die hier ook niet meer is. Want ook dat is een vuile truc van de herinnering: dat niemand in de herinnering ouder wordt dan hij of zij was – toen –, maar dat iedereen er, net als jij, op die manier – nu – niet meer is.
Rug
Dit had je niet verwacht:
dat je aan alle dingen al ontbrak
toen je tussen alles nog aanwezig was.
Alsof het heden geen verleden had
en deze dag er nooit zou komen.
De stad ligt als een lichaam open.
Je kunt de wegen die je nam nog dromen:
met je vinger langs de Kromme Elleboog, de Eerste,
Tweede, Derde Drift, en dan naar boven op een rug
de naam geschreven van wie daar even was
en even eeuwig leek als heel de stad rondom.
Het heden duurt een huidcel lang.
Hier sta je dan, verjaard, verleerd maar niet
vergeten: de diepe lades van de kaartenbak in de UB
waar je je arm instak tot aan je schouderblad,
de typemachines in de nacht, en het carbon,
de toekomst die je met elkaar verzon –
niets is verdwenen, maar alles doorslag en herinnering.
Aan de stad ontbreekt nu het verleden waarin je woonde
toen: het is vandaag weer even heden als altijd,
en onverwacht, met je vinger schrijf je in de lucht
de naam van wie je jarenlang vergeten was.