
We zaten in een Biergarten aan de Spree, net achter het Haus der Kulturen der Welt, ‘die schwangere Auster’, de zwangere oester, zoals de Berlijners het in 1957 ontworpen gebouw noemen. We hadden eindelijk de Reichstag beklommen, want zeggen dat je het complete gebouw bezoekt is overdreven; men leidt de bezoekers onmiddellijk naar de grote glazen koepel die architect Norman Foster op het midden van het dak construeerde. Het zal de reden zijn geweest waarom ik het bezoek steeds uitstelde: een beetje rondlopen in die koepel op de langzaam stijgende en vervolgens weer dalende hellingbaan, wat kon daar nou bijzonder aan zijn? En toch was het bijzonder. Ook vanwege het uitzicht op Berlijn, op Tiergarten, op de Fernsehturm, Branderburger Tor, de Funkturm en de Teufelsberg, op voormalig west en voormalig oost, die het soms nog steeds wat moeilijk met elkaar hebben. Maar ook had ik het voor mij eerder zeldzame gevoel dat ik op een historische plek was.
Dat moet ik misschien even uitleggen: ik heb vrienden die graag een omweg maken om te zien in welk huis George Orwell woonde, of waar Charles Dickens een voet verstuikte, of waar Goethe Marianne von Willemer in de billen kneep. Ik zou in Berlijn op zoek kunnen gaan naar het huis waar Kafka een tijdje woonde. Maar de ervaring leert dat ik op zulke plekken meestal alleen het heden aantref, en daar ook meestal meer dan voldoende aan heb. Ik zou nooit boeken kunnen schrijven als Parijs Retour van Bart Van Loo. En ja, ik heb toen ik ooit in Amsterdam Birgit Erdmann in het Vertalershuis opzocht even stilgestaan voor het huis waar Hans Faverey woonde (er hangt een klein bordje op de muur), maar ik blader liever in zijn Verzamelde gedichten. Misschien heeft het iets te maken met het feit dat ik zo’n slechte reiziger ben. Ik bén graag ergens (in Berlijn bijvoorbeeld, maar het mag ook een vlekje zijn tussen Montepulciano en Siena, of elders), maar als ik daar eenmaal ben aangeland richt ik me in. Ik ben vrijwel nooit op zoek naar wat er was, wie waar gelopen heeft, waar wie elkaar hebben ontmoet. In Lutter & Wegener, een wijnhuis/restaurant bij de Gendarmenmarkt, zie je op afbeeldingen bijvoorbeeld E.T.A. Hoffmann aan een tafeltje zitten in… Lutter & Wegener. En Heine is er geweest, en Wagner, en Otto von Bismarck. Maar zittend aan een tafeltje heb ik niet het gevoel door meer dan twee eeuwen geschiedenis aangeraakt te worden; ik zie hoogstens een min of meer chique gelegenheid waar men een poging heeft gedaan de eigen, ongetwijfeld roemruchte geschiedenis levend te houden zonder dat het werkelijk is gelukt. Het patina van het verleden is bij nader inzien kitsch. Maar ik zit er graag. De wijn is er goed. De Maultaschen maken dat ik er elk jaar minstens een keer wil lunchen. De obers zijn er statig en toch olijk. Op de tafeltjes ligt een hagelwit tafelkleed.

Nu is zo’n restaurant en wijnhuis iets anders dan het Reichstaggebäude, natuurlijk. Maar ook bij gebouwen en plekken die duidelijk met de, zeg maar ‘grote geschiedenis’ verbonden zijn, maken nooit veel indruk op me. Al was ik vorig jaar hier:
Haus am Wannsee
Het kan in alle kamers van willekeurig welke woning,
maar het was toevallig hier. Het konden alle
woorden zijn in willekeurig welke taal.
Sommige woorden raken uit hun kamers
nooit meer weg. Ze hangen aan plafonds
en in gordijnen voor de ramen.
Buiten zeilt een witte boot voorbij, een blonde
op de plecht met blauwe ogen zingt: een sprookje
uit oeroude tijden, haar stem haast een herinnering.
Hierbinnen fluisteren de gordijnen Duits,
tot het roepen begint, en het kelen.
En toegegeven, toen ik in 2007 voor het eerst sinds 20 jaar weer eens in Berlijn was – op zoek naar context voor mijn roman Het grote uitstel –, heb ik in de buurt van de Bernauer Straße, waar de Gedenkstätte Berliner Mauer ligt, een wandeling gemaakt richting Liesenbrücken en de daar gelegen kerkhoven die ooit door de muur in tweeën werden gesplitst. Ook toen voelde ik wel de geschiedenis, denk ik, al stond die ervaring sterk in het teken van het hoofdpersonage van mijn roman, die ik in 1989 aanwezig laat zijn bij de Val van de Muur. Het was die roman die aan de werkelijkheid rondom betekenis gaf, die het historische van die plek voelbaar maakte.



Misschien was dat in de koepel van de Rijksdag niet anders – niet omdat ik momenteel een roman schrijf waarin de Rijksdag een rol speelt, maar omdat ik in mijn werk de laatste jaren voortdurend bezig ben met Duitsland, met Duitse romantiek en de duistere kanten daarvan, met de voormalige DDR en het onrecht dat de bewoners van deze onmiskenbare ‘Unrechtsstaat’ na de hereniging van de beide Duitslanden is aangedaan. De nieuwe Rijksdag is immers ook een symbool van het nieuwe herenigde Duitsland, waarin de ene helft aan de andere helft vraagt zijn geschiedenis te verloochenen.
Maar ik dwaal af. Na het bezoek aan de Reichstag zochten we schaduw en rust in de Biergarten aan de Spree. Met die rust viel het een beetje tegen. Regelmatig hoorden we bonkende bassen ergens in de nabijheid, ver genoeg weg om niet de muziek zelf te horen, maar je voelde de bassen trillen onder je stoel. Het bleek om de aanloop naar Christopher Street Day (CSD) te gaan, zo ontdekten we toen we terug wandelden richting Unter den Linden en op de Straße des 17. Juni uitkwamen. Nog voordat we daar waren viel ons op hoeveel politie er op de been was. Niet hier en daar een agent die bij een dranghek naar wat verkeer staat te wuiven, maar groepen van twintig, dertig agenten rond een viertal politiebusjes hier, nog meer agenten bij wegafsluitingen daar. Op de Straße zelf marcheerde ons een peloton in het zwart geklede agenten tegemoet. En hoewel er aan beide zijden van de weg kleurrijke kraampjes stonden opgesteld en er even verder een wat corpulente vijftiger in kledij die je normaliter alleen aantreft in het Berlijnse clubcircuit voor een stel boxen alvast een voorschot nam op wat nog komen moest en heerlijk stond te heupwiegen, hoewel er naarmate we de Brandenburger Tor naderden steeds meer feestelijk uitgedoste mensen ons pad kruisten en de stemming uitgelaten was, maakte de overweldigende politiemacht me toch wat somber. Het zag er net een beetje te grimmig uit.

Het is iets wat ik nooit goed heb begrepen: de ophef over de amoureuze en seksuele voorkeuren van mensen die niet kiezen voor de heteroseksuele variant. Ik ken natuurlijk de verhalen van mijn generatiegenoten die soms veel moesten overwinnen om uit de kast te komen, maar ook toen ik nog jong was, was homoseksualiteit (want daar ging het toen voornamelijk over) voor mij nooit een issue, ook niet als een jongen zijn gayradar blijkbaar verkeerd had afgesteld en meende dat met mij wel iets te beginnen viel. Ook in mijn omgeving was er, dacht ik, niemand die met homoseksualiteit problemen had – wat misschien de indruk wekte dat we er geen aandacht voor hadden, het onbelangrijk vonden vooral. Op de Nieuwe Lerarenopleiding die ik direct na mijn middelbare school volgde, was de programmator van het culturele middagprogramma homoseksueel, wat ertoe leidde dat je tijdens het verorberen van je broodje ’s middags wel eens naar wat naakt rondzwengelende heren op een podium zat te kijken (‘Supertamp’, heette dat gezelschap), maar niemand vond dat storend. Dacht ik.
Ik heb dat trouwens ook altijd gehad met religies en andere denominaties. Dat ligt deels aan mijn opvoeding: mijn vader van socialistische huize, mijn moeder uit Nederlands Hervormde kring (al heb ik dat laatste als kind nooit geweten). Wij werden grootgebracht met respect voor het geloof van anderen. Gasten kregen bij ons aan tafel de gelegenheid om voor het eten te bidden. Wij zwegen dan beleefd tot het gedaan was. Ik herinner me een man die elke dag langs ons huis wandelde. Hij was joods, zei mijn moeder. Dat zei me niks. Ik vond het, geloof ik, toen al onnodig om zoiets te vermelden. Ik zie eigenlijk alleen mensen. Ik weet dat dat naïef is, omdat het mens-zijn van mensen gewoonlijk niet los staat van de verhalen waarbinnen ze zichzelf herkennen en erkend voelen. Dat geldt immers ook voor mij (ik schreef niet voor niets juist een roman, Laatste man, waarin de definiërende kracht van dat soort verhalen het hoofdthema is). Maar zelfs met dat niet onbelangrijke voorbehoud zie ik geen joden, christenen, moslims, geen l, geen g, geen b, geen t, geen q of enig andere letter van het alfabet als ik op de Straße des 17. Juni loop. Ik zie wel de politie. En ik voel een grote verontwaardiging over het feit dat dit soort veiligheidsmaatregelen blijkbaar nodig is om mensen te beschermen tegen diegenen die vinden dat déze mensen géén mensen zijn of mogen zijn. Verontwaardiging, maar ook treurnis.

AfD, dacht ik, de extreemrechtse partij die in de deelstaat Saksen-Anhalt momenteel op meer dan 40% wordt gepeild (de verkiezingen daar zijn 6 september) en wier frontvrouw weliswaar zelf een lesbische relatie heeft, maar die over het algemeen fel van leer trekt tegen alles wat niet ‘normaal’ is. Het zal wel zo’n rechts-extreme idioot zijn geweest, die in het licht van de nakende deelstaatverkiezingen nog even een punt wilde maken. Ik dacht niet aan IS, aan de terroristen waarmee de dader van de aanslag op Christopher Street Day een dag later zich identificeerde. En ook hierbij maakt het voor mij geen verschil wie vanuit welke achtergrond meent het recht te hebben mensen omver te rijden en neer te steken, zoals het voor mij in principe ook niet uitmaakt of dat mensen zijn die zich wel tot deze of gene gemeenschap rekenen en dus begrijpelijkerwijs, maar toch ook ten onrechte menen dat het specifiek hun gemeenschap is die hier het doelwit was. Ik voel me evenzeer aangevallen, ook al behoor ik tot geen van de traditioneel onder de regenboogvlag van CSD verzamelde gemeenschappen. Je zou kunnen zeggen: voor mij telt het zesde gebod.
Mijn afschuw is mijn afschuw. Maar uit het geharrewar dat na de aanslag ontstond, moet ik wel afleiden dat mijn afschuw dan toch niet specifiek genoeg was. Friedrich Merz zei in een eerste reactie direct na de aanslag: ‘Deze daden hebben maar één doel: ze willen onze samenleving splijten, ze willen ons het belangrijkste afnemen dat we hebben: onze openheid en onze vrijheid.’ Daarop volgde een scherpe reactie van activist en auteur Johannes Kram: ‘Muss man dem Bundeskanzler (…) wirklich erklären, dass es hier nicht vordergründig um “unsere” Freiheit, also die Freiheit der Gesamtgesellschaft, geht, sondern um die Freiheit queerer Menschen? Muss man dem Bundeskanzler (…) wirklich erklären, dass es CSD’s heute immer noch geben muss, weil diese Freiheit eben nicht nur durch Islamisten, sondern auch durch die Intoleranz und Ausgrenzung in der Gesellschaft bedroht wird?’
Daar sta ik dan met mijn zesde gebod. Johannes Kram wil maar al te graag de samenleving splijten, zo lijkt het, want ik behoor niet tot de gemeenschap die zich met Christopher Street Day blijkbaar van de rest van de samenleving wil afzonderen. Zo heb ik dat feest niet gezien noch ervaren toen ik zelf op het feestterrein rondliep. Ik zie CSD, de prides die overal elders eigenlijk zonder problemen georganiseerd worden, juist als de uitdrukking van wel degelijk onze hele (liberaal-democratische) gemeenschap: dat we geen onderscheid wensen te maken tussen mensen op basis van hun seksuele voorkeuren en hun genderidentiteit. Er zijn in onze gemeenschap grote stappen gezet om de discriminatie weg te werken, om de criminalisering van homoseksualiteit eindelijk te stoppen, om koppels van gelijk geslacht dezelfde rechten te geven als heteroseksuele koppels. Ik word een beetje moe van activisten die de rechten voor queers en anderen weigeren te zien als in de eerste plaats mensenrechten, die zich verschansen in hun eigen subculturele gelijk en daarmee juist de normalisering waar het hier om draait, lijken tegen te werken. Met aparte rechten voor lgbtq+ is niemand geholpen, nog wel het minst van al de lgbtq+ gemeenschap zelf. Het gaat er om dat de rechten voor iedereen de lgbtq+-gemeenschap niet uitsluiten. En die gemeenschap is ook niet geholpen met het exclusieve slachtofferschap dat Kram hier opeist. Als de aanslag geen aanslag op ons allemaal was, maar uitsluitend op de lgbtq+-gemeenschap, dan maak je van CSD in plaats van een feest van inclusiviteit een exclusief feestje voor mensen die uitdrukkelijk niet tot de rest van de gemeenschap willen behoren. Dan zeg je eigenlijk ook: CSD is bedoeld als provocatie, als een verzet tegen de gemeenschap.
Ik weiger dat zo te zien. CSD is de uitdrukking van een ideaal dat niet beperkt blijft tot de groepen die zich op zo’n dag onder de regenboogvlag verzamelen, ook al zijn het die groepen die het feestje organiseren. Het is ook mijn feestje. (Dat ik niet van mensenmassa’s houd en dus liever niet mee hos met de menigte op muziek die ik bovendien maar matig kan waarderen, staat daar los van; ik hield vroeger al niet van het School- en Volksfeest in mijn geboortestadje, en ik ben stiekem altijd blij dat ik tijdens de Gentse Feesten in Berlijn zit). Dat verklaart mijn verontwaardiging en droefenis over de klaarblijkelijke noodzaak van de zo grote politiemacht, hier duidelijk aanwezig om bescherming te bieden aan iets wat idealiter geen bescherming nodig zou moeten hebben. Want dat de rechten die men verkregen heeft geen eeuwig verworven rechten zijn, dat weten niet alleen de queers, maar ook vrouwen, arbeiders, immigranten… Kram heeft in die zin gelijk: de vrijheid van de lgbtq+-gemeenschap wordt nog altijd bedreigd. Maar niet alleen van die gemeenschap. Alle vrijheid wordt altijd en overal continu bedreigd, omdat vrijheid geen vaststaand feit is (of een vaste omschrijving kent). Vrijheid is altijd streven in naam van rechtvaardigheid.
’s Nachts hoorden wij helikopters overvliegen. Dat zal er wel bij horen, dachten we, bij de feestvreugde, bedoelden we. Het waren politiehelikopters die met warmtecamera’s zochten naar de voortvluchtige dader. ’s Ochtends lazen we over de aanslag. Mijn afschuw was en is mijn afschuw. Het was een aanslag op ons allemaal.