Dagen in Berlijn 5: Ich bin kein Tourist

screenshot_414

Toerist wil ik natuurlijk niet meer zijn. Afgelopen weekend stond in de SZ een artikel waarin correspondenten buitenland van de krant schreven over wat ze in den vreemde misten. ‘Heimat finden’ heette het. Geen vlagvertoon, niet ‘de normen en waarden’, of de slogans waarmee nationalisten gewoonlijk op de proppen komen, inclusief de claim dat ‘iedereen’ daarmee in zou stemmen. Nee, koffie werd gemist, bakpapier, brood, ‘Stocknudeln’ (geen idee wat dat is), paaseieren (niet gemakkelijk om chocolade-eitjes te verstoppen in Kampala, zo blijkt). Ik mis voorlopig alleen vrouw, kind en hond. Ik ben dus, als eerder vastgesteld, nog niet aangekomen. Ik mis zelfs de Vlaamse lunchcultuur niet. Nog niet. Maar toerist wil ik niet meer zijn.

Ik blijf soms verwachtingsvol bij een stoplicht staan als een koppeltje gebogen over een gsm in een uitheemse taal met elkaar praat en duidelijk niet weet welke kant het op moet. Vielleicht könnte ich ja behilflich sein… Ook dat is een illusie natuurlijk, zelfs al zou het koppeltje in mij een autochtoon zien en naar de weg vragen. Gisterennacht dwaalde ik met Uwe Neumann over het kruispunt Mehringdamm-Yorckstraße-Gneisenaustraße op zoek naar de haltes voor zijn en mijn nachtbus. De autochtoon van ons tweeën had zich immers ook ver buiten zijn Kiez begeven — al heeft hij vroeger nog in Kreuzberg gewoond. We vonden onze bussen.

Uwe had me uitgenodigd om naar een concert te gaan in het Yorckschlösschen — in de Yorckstraße. De Richard Arame Band. Een collega-toneelspeler van hem speelde mee, alsook de regisseur van het Brechtstuk waarin Uwe deze zomer in het Globe Theater speelde (een stuk dat ik helaas niet gezien heb, omdat ik toen het speelde niet in Berlijn was). Toen ik het Yorckschlösschen binnenstapte voelde ik me teruggekatapulteerd naar de jaren tachtig. De gentrificatie mag overal in Berlijn ongenadig hard toeslaan — Yorckschlösschen had de tand des tijds doorstaan en was geheel zichzelf gebleven. Gerookt werd er niet. Het was maar dat het plafond alleen zijn patina gekregen kon hebben door jaren sigarettenrook en -walm. Al voor de tweede keer tijdens mijn verblijf hier tastte ik onwillekeurig in mijn binnenzak naar een pakje tabak en vloeitjes — een atavisme (ik rook al vijftien jaar niet meer).

NLGO8235

Teruggekatapulteerd worden naar de jaren tachtig betekent natuurlijk voor mij niet: teruggekatapulteerd worden naar Berlijn in de jaren tachtig. Ik moest in de eerste plaats denken aan café ‘De blauwe engel’ op de Grote Markt in Groningen. Aan ‘The Jolly Joker’ ook, waar ik elke donderdag, ’s nachts om een uur of drie, altijd met het mooiste meisje (enfin, dat vond ik toch) mee naar huis mocht, maar dan een week moest wachten voordat ze me weer wilde zien. Aan een concert in de volgepakte kelder van een pand dat, als ik me niet vergis, op de hoek van Spilsluizen en de Oude Ebbingestraat lag. Punk, New Wave, experimenten in de popmuziek, Teije’s Mess Express.

De Richard Arame Band (Richard Arame bleek een Fransman, wat voor het uitspreken van de naam van de band zo zijn consequenties heeft) — de band speelde muziek die me nog verder terugkatapulteerde in de tijd, namelijk naar de jaren zeventig, naar nog weer een ander etablissement waar rookaanslag de ramen ondoorzichtig maakte: ‘Why don’tcha’ in Diepenheim — de gekraakte boerderij die model stond voor de jeugdsociëteit ‘Che’ in Het grote uitstel. The Allman Brothers kwamen plotseling bij me terug, JJ Cale, een snufje Hendrix, een snufje Clapton ook. De heren waren fantastisch op elkaar ingespeeld. Eén blik was genoeg om een tempowisseling, een drumsolo, een bassolo of een duet van gitaren op gang te brengen. Ik, die tegenwoordig naar heel andere muziek luister, had niet verwacht dat deze muziek me weer zo bij mijn lurven zou grijpen.

IMG_2673

Onderwijl keek ik bewonderend naar de jonge vrouw die ons bediende, schijnbaar moeiteloos door de mensen laverend met, aanvankelijk nog warme maaltijden, later voornamelijk bladen met drank, en die het bestond om telkens op het juiste moment, nét voordat we onze bierglazen (0,4 l) geleegd hadden, aan ons tafeltje te verschijnen om met één wenkbrauwbeweging te vragen of we er nog één wilden. ‘Das ist der Vorteil, Mutter zu sein,’ zei ze toen twee klanten tegelijk hun bestelling opgaven en ze een derde zijn bestelling bracht, en daarna zonder met haar ogen te knipperen van beiden de bestelling herhaalde en opschreef op een blocnootje. ‘Man kann multitasken’. Ik zou in haar plaats gierend gek geworden zijn.

Het Yorckschlösschen is zo’n kroeg waar je niet snel toeristen aantreft, en als ze er zijn wordt er met hen geen rekening gehouden. Er zitten mensen van alle leeftijden door elkaar. Men eet er Bratwurst, Nudeln, men eet er Beefsteak en Schnitzel. Er staan kleurrijke figuren aan de bar: een lange magere man met dun, lang grijs haar dat nog verraadt dat hij vroeger weelderige krullen gehad moet hebben. Hij lijkt weggelopen uit een tentoonstelling van Giacometti, als hij al niet de reïncarnatie van de kunstenaar zelf is. Naast de piano staat een enorme man in een tuinbroek, met een snor waar de oude Kouwenaar nog jaloers op geweest zou zijn. Je verwacht dat hij straks op zo’n alpenhoorn gaat blazen, maar in plaats daarvan wijst hij op een piepklein glaasje dat hij net heeft geleegd, waarin een Berlijnse kruidenlikeur gezeten heeft. Ik ben de naam vergeten. Er zijn actrices van het Globe Theater aanwezig. Ik zie een vrouw die prachtig oud geworden is en die met glimmende oogjes zit te luisteren. Twee hevig verliefde meisjes beginnen te dansen. Het werkt aanstekelijk. Een vrouw die eruitziet als het cliché van een hier compleet verdwaalde lerares wiskunde, begint rondjes te draaien. Een man van middelbare leeftijd met een bepaald achtbare bierbuik laat zijn geblondeerde vrouw pirouettes maken. Vlakbij mij zit een man die stug bier drinkt en die weggelopen lijkt uit een kantoor vol boekhouders. Ik ben geen toerist. Ik ben geen toerist.

Thuis zijn is een kwestie van de mensen die je kent. Gent, bijvoorbeeld, is zowel aangenaam als tegelijkertijd soms wat benauwend vanwege het feit dat men er in een café kan zitten met iemand die men niet kent, om na het wisselen van een paar woorden te ontdekken dat men beiden dezelfde mensen kent. Het is net geen dorp.

Een paar dagen eerder had ik afgesproken met Walter Moens, de voormalige, want inmiddels gepensioneerde Vertegenwoordiger van de Vlaamse regering in Berlijn en, als ik me niet vergis, huidig voorzitter van ‘Berlijnse Avonden’ . Ik had hem eerder ontmoet op het etentje bij Lieve Pillen in Zehlendorf, en bij het afscheid daar gaf hij me zijn kaartje met de woorden dat ik zeker eens moest bellen. Hij woont vlak in de buurt van Schloß Charlottenburg. Ik had op voorhand gezocht naar een wijnwinkel om een mooi —  ik had besloten —  Italiaans flesje voor hem mee te nemen. Die winkel vond ik in de Bleibtreustraße, waar een iets te enthousiaste man met een zwaar Italiaans accent het bestond bij werkelijk élke fles in zijn winkel omstandig uitleg te geven. Aangekomen bij de Prosecco’s zei ik dat ik in Prosecco niet geïnteresseerd was. Dat kon hij zich helemaal voorstellen, zei de wijnhandelaar, hij was er ook niet zo dol op. Om vervolgens toch bij elke fles die hij had staan een uitgebreid verhaal te vertellen over samenstelling, bouquet en smaak. Ik kwam verder nog te weten dat hij iedere zaterdag een proeverij organiseerde, met Italiaanse hapjes, en binnenkort zou er ook muziek zijn. ‘Tango’, zei hij. Ik zie mij genoodzaakt daar nog eens naar toe te gaan.

Ook met Walter ging het over alle anderen: over schrijvers die we beiden kenden, over kunstenaars, politici. Ik kon natuurlijk maar af en toe knikken bij namen van mensen die ik ontmoet heb of beter ken. Bovendien leek zijn ‘thuis’ zich eerder in Midden-Europa te bevinden. Voor mij is het Vlaanderen, Amsterdam en een beetje Berlijn inmiddels — want ja, ook in Amsterdam bleek ik, na jaren bij een Vlaamse uitgever te hebben gezeten, nog steeds goed mee te kunnen roddelen over uitgevers en schrijvers in het Amsterdamse. Al is het dan steeds als iemand die zelf aan de rand van al die gemeenschappen staat. Iemand die aanschuift; niet iemand die er al stond. Soms verdenk ik mezelf ervan mijn heimwee of thuisverlangen te cultiveren door nooit werkelijk ergens thuis te zijn, of erger: eigenlijk niet werkelijk thuis te wíllen zijn.

IMG_2640

Maar ik ben geen toerist. Ik ga binnenkort persoonlijk kennismaken met mijn eerste echte Deutsche Schriftsteller, denk ik. Martin Schult, man van vertaalster Birgit Erdmann. Ik las op haar aanraden zijn debuut, Flokati oder mein Sommer mit Schmidt (2016) — intelligent, geestig, en voor de Nederlander die ik ben, dat wil zeggen voor de Nederlander die de voor het land zo traumatische verloren finale van het wereldkampioenschap voetbal tegen, toen nog, West-Duitsland op dertienjarige leeftijd meemaakte, ook volkomen herkenbaar, want het verhaal speelt in precies die zomer van 1974. Het is een boek over toeval en noodlot; als het ene niet bestaat (zoals bijvoorbeeld de religie decreteert) dan wordt wat onverhoeds en onvoorzien gebeurt vanzelf noodlot — met alle consequenties van dien: schuld en tekortkoming. En ik vond in het boek twee zinnen die ik, schreef ik Birgit, graag wilde stelen voor mijn eigen boek. Ze meldde me dat Martin toestemming gaf.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s