Thuisverlangen*

“Wenn ich nach Osten komme, fühle ich mich wie ein Fremder…” De taxichauffeuse die ons van een parkeerplaats aan de Sömmeringstraße in Charlottenburg naar ons tijdelijk appartement in Friedrichshain rijdt, zegt het op het moment dat we de Siegessäule net zijn gepasseerd en de Brandenburger Tor recht voor ons ligt.

We komen van de première van een toneelstuk van Oliver Bukowski, Nach dem Kuss, uitgevoerd door het Globe Berlin. Eén van onze Berlijnse vrienden, de acteur Uwe Neumann, maakt deel uit van dit nog jonge gezelschap onder leiding van Christian Leonard, de man die jarenlang de Shakespeare Company Berlin heeft geleid en nu al twintig jaar probeert om in Berlijn een heus ‘Globe Theatre’ te bouwen, een ‘Wooden O’, zoals het ook wel genoemd wordt. Dat houten bouwwerk heeft hij een aantal jaren geleden voor een symbolische euro kunnen kopen van de stad Schwäbisch Hall, waar het geen dienst meer deed, en ligt ergens in Berlijn opgeslagen. Op de plek waar het zou moeten komen (het wachten is op de noodzakelijke vergunningen; er moeten een paar bomen worden gekapt, de buurt moet instemmen met een theater dat plaats zal bieden aan bijna 600 toeschouwers) is nu met behulp van een aantal opengewerkte containers, een provisorisch podium en losse tribunes een openluchttheater, een Freilichtbühne, gebouwd. De plek zelf is niet evident: de Mierendorf-Insel, ten noorden van de brede Bismarckstraße en zelfs de Otto-Suhr-Allee, twee brede verkeersaders die van west naar oost Charlottenburg doorkruisen. Het is ver van alles, zelfs voor hen die in Charlottenburg zelf wonen. De stukken die op de nu ingerichte ‘Prologbühne’ gespeeld worden (Romeo & Julia — met in juli en augustus elke donderdag een Engelse versie —, het al genoemde Nach dem Kuss en Über die Verführung von Engeln  (naar Bertold Brecht)) dienen ook om te kijken of een theater op die plek levensvatbaar is.

zeichnung

Dat is niet alleen afhankelijk van de plek, maar ook van het gebrachte werk. En hoe belangrijk het trekken van publiek ook is om het uiteindelijke project te realiseren — met Oliver Bukowski’s stuk lijkt Globe Berlin niet meteen de bedoeling te hebben gehad om het publiek te behagen met braaf toneel. Tijdens de première, na wat je nog het best kunt omschrijven als grove, volkse, seksistische en zelfs racistische grappen, stonden er een paar mensen uit het publiek recht en verlieten zichtbaar beledigd het theater. Bukowski, dat is theater waarbij de toneelstukken van Arne Sierens het toppunt van burgerlijkheid lijken te zijn. Zeggen dat het gaat over mensen aan de zelfkant, is zacht uitgedrukt — maar bij alle drankmisbruik, seksistische praat, losse handjes en het soms gratuite geweld, het gaat wel over ménsen, en daarmee over dezelfde verlangens die in hoogculturele kringen vaak bloemrijk en poëtisch worden verwoord en dan acceptabel zijn. Ook de smeerlap en de sukkel willen uiteindelijk de transcendentie, het hogere dat schuil lijkt te gaan — nee, dat schuil móét gaan in de Liefde met een hoofdletter L (de wanhoop dat het niet zo zou zijn, is voelbaar in dit stuk). Tederheid krijgt geen kans in een wereld waarin er hard om het bestaan gevochten moet worden, maar daarom is het verlangen ernaar niet minder. Het stuk vertoont op een zeker moment een stijlbreuk, wanneer de twee hoofdfiguren — de zuipschuit Robbi en de Russische danseres Juliane (de verwijzing naar Shakespeare is hier evident) — in een zowel komische als tragische verleidingsscène het Berlijnse dialect, het ‘Berlinern’, inruilen voor in Hoogduits gesproken poëtische verzen die zo uit Romeo & Julia afkomstig zouden kunnen zijn. Om daarna terug te keren naar hun eigen taal. Het stuk schuurt en knarst. Het ontroert. Maar men moet zijn eigen politieke correctheid even op pauze zetten om die ontroering de kans te geven om zichtbaar te worden. ‘Utopie und Illusion’ — daar gaat het in dit voorseizoen om, en dat maakte van Nach dem Kuss op een bepaald niveau ook een politieke voorstelling — al primeerde (gelukkig) steeds het artistieke. Het stuk was nergens pamflettistisch.

globeberlin-nachdemkuss-3

globeberlin-nachdemkuss-4

Maar toen, na de felicitaties, de drank, de gesprekken, nog zien terug te raken in Friedrichshain, waar ons appartement was. De app van de S-Bahn Berlin op mijn telefoon maakte duidelijk dat dat — uiteraard (dit is een grootstad) — nog steeds heel goed kon, maar dat het wel een lange tocht van ruim anderhalf uur zou worden. Ik ben de eerste die dan ‘taxi’ roept.

De chauffeuse was wat men in het Duits zo mooi een ‘Plaudertasche’ noemt. Het leek alsof ze een monoloog voortzette die ze bij een andere klant begonnen was, een eindeloos verhaal, ingegeven door waar ze toevallig reed. Zoals nu richting Brandenburger Tor. ‘Een vreemde’ — eenmaal op Unter den Linden, in de Karl-Liebknecht-Straße, afdraaiend naar de Mollstraße en uiteindelijk de Landsberger Allee plotseling vreemd geworden in de eigen stad, ontvreemd leek het wel, van zichzelf gestolen. De Muur staat er nog, zei ze, hij is nooit weg geweest. Ik moest denken aan de vele boeken die ik de afgelopen jaren heb gelezen van Oost-Duitsers die zich na 1989, na de Wiedervereinigung in 1990, plotseling beroofd zagen van niet alleen hun land, maar ook van een plotseling irrelevant geworden geschiedenis, en zelfs van hun eigen herinneringen, die van geen tel meer waren (wat moet je met warme herinneringen aan de kampen van de FDJ (Freie Deutsche Jugend)? Ze lijken bijna even besmet als het lidmaatschap van de Hitler Jugend). Jana Hensel, Thomas Brussig, Peter Richter en anderen; er ligt nog een boekje van Daniela Dahn op de stapel ‘ongelezen’: Westwärts und nicht vergessen. Vom Unbehagen in der Einheit. Op ZDF (in het kader van dertig jaar Val van de Muur komende november) was kort geleden een tweedelige documentaire te zien: Deutschland-Bilanz: Ein Land, zwei Seelen. Het was een (overigens niet erg diepgravende) documentaire die natuurlijk ook het feit aan de orde stelde dat de uiterst rechtse partij AfD vooral in de voormalige DDR zulke hoge ogen gooit — al is de ironie hier dat de AfD zijn wortels nu juist in voormalig West-Duitsland heeft (ironie, omdat één van de vaststellingen in de documentaire was dat van alle leidinggevenden in het bedrijfsleven in Duitsland slechts een verwaarloosbaar deel uit voormalig Oost-Duitsland komt; het zijn allemaal ‘Wessies’ die de touwtjes in handen hebben, ook in de AfD dus). Zweitklassige Bürger, zo voelen de ‘Ossies’ zich, en de ‘Wessies’ zouden hochnäsig zijn. Er is natuurlijk de daadwerkelijke economische achterstelling. Anderzijds: er is al een generatie twintigers en dertigers die de DDR niet meer hebben gekend. De suggestie in de documentaire was ook dat Duitsland er wel ‘uit zou groeien’, uit dat gevoel van gespletenheid. Leipzig schijnt tegenwoordig the place to be te zijn als je jong bent — ook al omdat Berlijn vanwege privatisering van de woningmarkt, door verwarde sociaal-democraten in de jaren negentig die blind achter de heks Thatcher aanhobbelden, steeds onbetaalbaarder wordt.

En dan: de vraag is of bijvoorbeeld Steglitz, Lichterfelde en Zehlendorf in voormalig West-Berlijn voor iemand uit Charlottenburg niet even vreemd zijn als heel Oost-Berlijn voor onze taxichauffeuse. Toen we nog onderweg waren naar Berlijn berichtten onze vrienden dat het mogelijk was om elkaar nog diezelfde avond te zien, maar dat moest dan vanwege verplichtingen de volgende ochtend wel in Charlottenburg. ‘Wenn’s Euch also nichts ausmacht und Ihr nach dem ersten weiten Weg den zweiten weiten Weg in Berlin nicht scheut… dann gerne’, schreven ze. Berlijn is Berlijn, dachten we, op dat moment ter hoogte van Magdenburg. Maar dat is niet waar. De ene Kiez is de andere niet, en er zijn in Charlottenburg veel mensen die nog nooit voet in Friedrichshain gezet hebben, en omgekeerd. Het is een gevoel dat ik bij al het gepraat over globalisering en kosmopolitisme nooit ben kwijtgeraakt: dat als puntje bij paaltje komt iedereen een dorpeling is. De voormalige Oost-Duitsers hadden niet lang na de Wiedervereinigung al hun ‘Ostalgie’, en zelf heb ik al die jaren dat ik in Nederland woonde de kosmopolitische air die Amsterdammers zich aanmaten altijd enigszins ridicuul gevonden in het licht van het feit dat ik geen groter provinciaal nest ken dan de Nederlandse hoofdstad. De toewending naar het eigene lijkt onvermijdelijk.

Heimat. Ik kom er nog over te spreken met Fatma Aydemir, Max Czollek en Mithu Sanyal, op 26 oktober in Flagey in Brussel. Aydemir maakte samen met Hengameh Yaghoobifarah een boek dat Eure Heimat ist unser Albtraum heet, ‘ein Manifest gegen Heimat’, zoals het op de cover heet. In de inleiding las ik dit:

‘Heimat’ hat in Deutschland nie einen realen Ort, sondern schon immer die Sehnsucht nach einem bestimmten Ideal beschrieben: einer homogenen, christlichen weißen Gesellschaft, in der Männer das Sagen haben, Frauen sich vor allem ums Kinderkriegen kümmern und andere Lebensrealitäten schlicht nicht vorkommen.

Wat ik me meteen afvroeg: hebben de auteurs — allen in Duitsland geboren — zelf geen Heimat-gevoel? Ten tweede: waarom laten ze de definitie van iets zo essentieels voor een mens — de basis van zijn ‘Weltvertrauen’, van wat hij ervaart als veilig, om Jean Améry’s omschrijving in ‘Wieviel Heimat braucht ein Mensch?’ uit Jenseits von Schuld und Sühne aan te halen — over aan rechtsextremisten, die op dit moment juist een kans lijken te krijgen mede omdat in zich kosmopolitisch en multicultureel omschreven middens besloten is dat ‘Heimat’ politiek incorrect is. Wie naar Heimat verlangt is een blanke, pardon: witte, seksistische, misogyne racist — het lijkt me te kort door de bocht, en als tegengif tegen het wel degelijk aanwezige racisme weinig effectief. Het taboeïseert wat zelfs in de grootste wereldsteden overal aanwezig blijkt te zijn: het verlangen naar begrenzing. Dat is geen ongevaarlijk verlangen, zeker niet. Maar je bezweert het gevaar ervan niet door het te taboeïseren.

Ik las de bijdragen in het boek nog niet. En voor de avond zelf zal ik tegen die tijd zelf uit Berlijn moeten terugkeren. Vanaf eind september verblijf ik twee maanden in die stad om er te werken. In Zehlendorf. Het zal te kort zijn om me af te brengen van mijn (gezien mijn korte verblijven in Berlijn wat ridicule) overtuiging dat mijn stamkroeg in Charlottenburg ligt, aan het betere einde van de Stuttgarter Platz: Gasthaus Lentz — trefpunt van wankele oud Mei ’68-ers die er de kranten komen lezen en op soms forse toon over de wereld praten. Die naar de kloten is… Uiteraard…

—————

*)= ‘Thuisverlangen’ is de titel van een poëziebundel van Jeroen Theunissen uit 2005.

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s