
Er stond wijn op tafel. Uiteindelijk drie flessen. Dat was minstens anderhalve fles te veel. Er was ook een karaf met water. We hadden een versie van zijn dichtbundel kort besproken, want dat doen we al jaren: net geschreven werk in diverse stadia van (on)voltooidheid aan elkaar laten lezen en er commentaar op leveren. Ik had niet het gevoel dat ik veel over de bundel-in-wording moest zeggen. Ik vond de meeste gedichten, de volgorde en samenstelling eigenlijk al wel publicatiewaardig. Dat verraste hem. Hij zag het allemaal nog als een voorstadium van wat het uiteindelijk worden moet. Was het niet te veel opgeknipt proza? Het waren geen op ritme en rijm gerichte teksten, nee, maar in elke tekst zit een draai die maakt dat hij afwijkt van wat een prozatekst zou zijn. Bovendien ontroerden veel van de gedichten mij.
Dat blijft een merkwaardig gegeven voor mij: dat ik ontroering – mijn éígen ontroering in eerste instantie – altijd een beetje wantrouw. Het Hollywood-effect, ‘stem de violen!’, goedkoop, gemakkelijk. Het gaat zo ver dat ik de ontroering van anderen bij mijn eigen teksten soms bijna een bewijs vind dat er met die teksten iets mis is. Natuurlijk is dat onzin. Maar ook bij de ontroering die ik voelde bij sommige van de teksten in deze bundel in statu nascendi, stelde ik me vragen: ontroerden ze me omdat ik hem herkende in die teksten? Zijn paniek, zijn melancholie, strijdbaarheid en cynisme soms? Of liever: moet je hem persoonlijk kennen om die ontroering gewaar te worden, of maakt die ontroering dat je het gevoel hebt iemand persoonlijk te (leren) kennen?
Het is de mode van de tijd (en dat ik wil schrijven: de ziekte van de tijd, is veelzeggend): achter elke tekst onmiddellijk de auteur op te zoeken. Is het autobiografisch? Daar zijn veel, wat flauwe standaardantwoorden op: dat er natuurlijk ‘altijd iets van de schrijver’ in elk van zijn boeken schuilt, bijvoorbeeld. Zijn personages veruiterlijken altijd wel iets van zijn eigen persoon, of dan toch op zijn minst van zijn specifieke kijk op anderen. Maar zo blijven zijn personages ook steeds veilige constructies waarachter hij zich kan verschuilen, en dat is niet waarnaar iemand vraagt wanneer hij of zij weten wil of het boek in kwestie autobiografisch is. Is het écht, wil hij of zij weten, is het écht gebeurd?
Als ik eerlijk ben, moet ik daar wat mijn eigen werk betreft altijd op antwoorden: ja en nee. Wie al mijn boeken gelezen heeft, zal het zeker opgevallen zijn dat er in een aantal van die romans gelijkaardige zaken voorkomen: een vroeg gestorven vader, een bij een auto-ongeluk omgekomen zus, een duistere medische geschiedenis. Die elementen komen niet altijd voor, en in de romans waarin ze voorkomen hebben ze niet altijd hetzelfde dramatische gewicht. Maar iemand die de moeite neemt al mijn romans te lezen, kan er bij Laatste man niet omheen dat het boek bepaalde zaken uit eerder werk herneemt – wat de vraag naar het autobiografische gehalte van het boek een stuk meer legitiem maakt. De parallellen tussen het eerste hoofdstuk van Laatste man en hele passages uit Wild vlees (uit 1998) zou ik zelf als literatuuronderzoeker bijvoorbeeld nogal opvallend noemen, al zijn de verschillen er duidelijk ook. En juist in die verschillen ligt het antwoord besloten op de vraag hoe autobiografisch een en ander is.
Bepaalde levensfeiten – om het zo maar te noemen – zijn de grondstof voor het verhaal dat uiteindelijk verteld wordt, en welk verhaal dat is, hangt in hoge mate af van hoe die levensfeiten worden verteld. In Wild vlees is dat totaal anders dan in Laatste man. Al moet ik er meteen aan toevoegen, dat er tussen beide boeken op thematisch vlak ook zeker parallellen zijn. Het hoofdpersonage uit Wild vlees zit namelijk gevangen in wat er nu eenmaal is gebeurd en tracht dat in retrospectief alsnog ongedaan te maken. Hij weet bij een bepaalde scene: nu komt er dit-en-dat, en hij hoopt dat hij dit-en-dat ín het vertellen zelf alsnog kan voorkomen. Wat natuurlijk niet lukt. In het vertellen gebeuren de dingen precies zoals ze ‘in het echt’ eerder zijn gebeurd. ‘Hij verdiept zich in het verleden alsof dit niet te veranderen was’, zo luidde het motto van Elias Canetti.
Het is niet te veranderen, weet Martin Oonk in Laatste man, maar de drang aan het zo gesponnen verhaal te ontsnappen, de hoop zelfs, dat het mogelijk is om telkens opnieuw weer aan het begin te kunnen staan van iets totaal anders, blijft steeds even sterk. En ook dat blijkt in Laatste man tevergeefs.
We kregen er een discussie over, daar aan die tafel met de drie flessen wijn, een discussie die zich toespitste op onder andere de vraag of je van je trauma’s kunt genezen, of je je leven kunt veranderen? Nee, zo zei ik. Ja, zei mijn vriend. Een trauma is geen gedachte, zo redeneerde en redeneer ik; het is een fysiek gegeven; het is innig verbonden met je lichaam, zoals rouw dat is (‘Rouw is een lichaam, liefje’, uit Om honing gaat het niet), en je kunt niet genezen van je eigen lichaam. Littekens gaan nooit meer weg en zijn het uiterlijke bewijs van een schending die niet goedgemaakt kan worden. Het lijden dat zo’n trauma veroorzaakt, is voor het grootste deel toe te schrijven aan het feit dat je de schending zelf niet accepteert, dat je wenst dat het nooit was gebeurd. Voor Jean Améry – één van mijn eeuwige referentiepunten – was de schending van de kampervaring alleen te ‘helen’, te ‘genezen’ als de geschiedenis zelf de gebeurtenis terugnam, zoals hij ongeveer schreef, als de tijd werd teruggedraaid, met andere woorden. Mensen die probeerden de holocaust te verklaren, historisch of anderszins, begrepen niet waar het om ging. En hij reageerde op alle pogingen tot begrip voor zijn specifieke trauma met de halsstarrige en woedende weigering om te genezen: hij zou zijn wonden, zijn ópen wonden, blijven tonen.
Het is altijd wat zwaar geschut, zo’n holocaustoverlevende die uiteindelijk voor de ‘Freitod’ koos, en ik heb hem daar aan tafel ook niet opgevoerd als bewijs voor mijn gelijk. Maar het opgelopen trauma behoort tot de ‘situation vécue’, zoals Améry het noemde, tot het nu eenmaal geleefde leven, en daaraan valt eenvoudigweg niet te ontsnappen. En hoewel in Laatste man steeds en overal een verwoede poging ondernomen wordt om niet tot de hem definiërende traumatische gebeurtenissen gereduceerd te worden, lijkt me de kern van het boek te zijn dat Martin Oonk zich uiteindelijk verzoent met wat nu eenmaal zíjn situation vécue is, en die bestaat vooral uit zijn gevecht tegen het verhaal dat hij nu eenmaal (geworden) is. Hij blijft met andere woorden wie hij altijd was: iemand die vecht tegen zichzelf, en daaraan ook zijn waardigheid ontleent. Wie hem werkelijk zou willen genezen, zo dat al mogelijk zou zijn, zou hem van die waardigheid beroven.
Is dat autobiografisch? Ja hoor. Waardigheid is altijd een belangrijk gegeven voor mij geweest. Ik ben in mijn studietijd niet voor niets aangeland bij de toen al spectaculair onpopulair geworden Menno ter Braak, wiens zoektocht naar het minimum van menselijke waardigheid me toen al buitengewoon interesseerde. Dat ik vervolgens bij Du Perron uitkwam, die duidelijk wat minder in enkel zijn hoofd leefde en voor wie de praktische consequenties van ideeën van invloed waren op de waarde die hij aan die ideeën toekende en op de mate waarin hij bereid was bepaalde ideeën te verdedigen, is ook niet zo verwonderlijk.
Maar kijk, daarmee heb ik het persoonlijke belang dat ik aan waardigheid hecht (aan míjn waardigheid) al op een wat algemener niveau gebracht. Ineens gaat het dan over dé menselijke waardigheid tout court. En uiteindelijk is dat ook waar voor mij het belang van literatuur ligt – je zou kunnen zeggen: in het exemplarisch maken van wat met het autobiografische begint. Ergens achter het persoonlijke verhaal zingt een bovenpersoonlijke betekenis mee, die ik het liefst niet al te expliciet wil maken terwijl ik aan het schrijven ben, maar die ik mezelf na het schrijfwerk bewust moet maken. Laatste man gaat niet over hoe ik, de auteur, ‘gevangenzit’ in mijn verhaal (het is bovendien ‘mijn’ verhaal niet; het is het verhaal van Martin Oonk geworden), maar hoe we allemaal gevangenzitten in ons eigen verhaal, en hoe die verhalen verbonden zijn met het verhaal waarbinnen we leven: met de grotere structuren, met het neoliberale, post-humane denken bijvoorbeeld, dat onze samenleving bijna volledig beheerst en afbreuk doet aan het verhaal waarmee we na 1945 opnieuw probeerden op te starten. Het gaat over hoe moeilijk het is te ontkomen aan de geschiedenis die ons definieert, dat wil zeggen: hoe moeilijk het is om op dit moment niet bij alles te denken in termen van ‘return on investment’, van rentabiliteit, nuttigheid, productiviteit, groei, winst, strikt individuele verantwoordelijkheid, strikt individuele vrijheid (desnoods ten koste van anderen), verkoopbaarheid, markt, markt, markt, enzovoorts.
En omdat dat alles natuurlijk altijd balanceert op de rand van fatalisme, én hier bovendien een individuele geschiedenis tot iets algemeen geldends wordt verklaard, hebben we fel gediscussieerd bij anderhalve fles wijn te veel, op alweer een mooie avond die nog maar eens aantoonde dat niemand alleen is.