
Als je in Berlijn bent en je zit alleen te werken, ben je dan thuis in Berlijn? Geen uitstapjes naar musea, bioscopen, concerten, parken, zelfs geen cafés. Ik ben nu ruim twee weken op mijn gebruikelijke zomerstek en heb twee keer met mensen afgesproken. Voor het overige zat ik binnen en schreef. Ik ben geen fan van deadlines, maar ergens in mijn schrijfproces komt er altijd een moment waarop ik contact met de uitgever opneem en iets zeg als: er komt weer wat aan, wanneer zou dat kunnen? Over de enorme luxe dat mijn uitgever niet zegt: ‘tut tut, Reugebrink, willen wij dat überhaupt wel hébben?’ wil ik het nu even niet hebben, al is het goed mezelf daar af en toe aan te herinneren. Ik krijg een deadline.
Dat is in de eerste plaats een deadline voor de catalogus- of aanbiedingstekst. In dit geval: het boek ging mee in de komende najaarsaanbieding, en dat betekende dat er uiterlijk eind mei een tekstje moest zijn voor die catalogus. Een tekstje én een omslag. Nu had ik over dat laatste inmiddels al wat ideeën. In Laatste man gaat het geregeld over voetbal, en in het eerste hoofdstuk treedt zelfs een oude voetbalheld op – enfin, held; je moet Feyenoord een warm hart toedragen om hem een held te noemen, vermoed ik –: Coen Moulijn (1937-2011). Ik vond een oude persfoto van een wedstrijd, een foto van Jac. de Nijs van 8 maart 1964: Coen Moulijn die de pas wordt afgesneden door Louis van Plateringen, verdediger van DOS uit Utrecht. Er staan nog andere spelers op de foto; je ziet boven de tribunes in de verte een flatgebouw. Ik ‘knipte’ een deel van die foto uit: de benen van Moulijn en Van Plateringen, met opspringende aarde vanwege de door Van Plateringen ingezette sliding, en op de voorgrond de bal.
Laatste man – de titel slaat ook in de eerste plaats op de positie op het veld – gaat over verdedigen. Zover was ik al wel. Maar toch kostte het me (alweer, zoals wel vaker wanneer ik zo’n tekstje moet maken) de nodige moeite iets te schrijven, want ik begin de uitgever altijd op de hoogte te stellen en om een deadline te vragen wanneer ik op ongeveer tweederde van het nog af te schrijven boek ben. Was ik nu een schrijver die op voorhand schema’s maakte… Maar ik laat me leiden door mijn pen. Er kan eigenlijk nog van alles gebeuren, terwijl dat tekstje voor de catalogus toch moet uitstralen dat alles rond het boek al in kannen en kruiken is. Bovendien heb je hier al voor de eerste keer te maken met wat ik zelf altijd ‘het tweede verhaal’ noem: het verhaal dat je voor de openbaarheid moet vertellen over het wérkelijke verhaal, het boek zelf, waar precies staat wat er staan moet, waardoor al het gelul óver het boek op mijzelf altijd overkomt als onjuist. Desalniettemin fabriekte ik het volgende:
Wat als je het gevoel hebt dat je gevangen zit in een verhaal? Als kleine jongen is Martin Oonk ernstig ziek. Hij moet zich overleveren aan wat artsen hem allemaal aandoen. Eenmaal genezen neemt hij zich voor dat niets of niemand hem ooit nog op die manier kan bedreigen. Maar of hij daarmee aan zijn ziekte ontsnapt? Zijn defensieve houding maakt hem tot een niet zo goede zoon, een slechte broer, en tot een gemankeerde levenspartner. En juist wanneer hij het als vader lijkt te overwinnen, wordt hij ingehaald door de werkelijkheid die hem terugwerpt in zijn eigen verhaal.
Laatste man stelt de vraag naar de mogelijkheid om werkelijk vrij te zijn, los van wat de tijdgeest ons, vaak zonder dat we het weten, oplegt. En als die vrijheid niet mogelijk is, kun je dan schuldig zijn aan wat de omstandigheden je ingeven?
Ik weet niet hoe het anderen vergaat, maar ik zou dit wel willen lezen…
Over het omslag volgde nog een intensieve e-mail-discussie, ten eerste omdat de uitgever bang was dat mijn voorstel het boek te veel op een ‘voetbalboek’ zou laten lijken. Nu heb ik er niks op tegen wanneer de hele F-side van Feyenoord het boek aanschaft (tweede druk!), maar ik moet toegeven dat het waarschijnlijk niet het beoogde publiek is. Dus kwam de vormgever met een vracht andere voorstellen die ik allemaal niks vond. Zodat we uiteindelijk dan toch terugkeerden naar mijn aanvankelijke suggestie:

En ik ging naar Berlijn om te schrijven. Het was een paar dagen 38°. Ik zat binnen achter de computer, twee handige handventilatortjes aan weerszijden van het beeldscherm, gordijnen, deuren en ramen dicht. Op een zeker moment kwam het dan weer met bakken uit de hemel. De ventilatortjes konden uit. Ik waagde me alleen op straat om wat boodschappen te doen bij de Rewe in de Kulturbrauerei, ik sprak een keer af voor een lunch en ik ging weer eens naar het Globe-theater in de Sommeringstraße omdat mijn vrienden Uwe Neumann en Anette Daugardt er hun theaterversie van Kafka’s Brief an den Vater opvoerden, en ook omdat ik ze graag weer wilde zien, natuurlijk (ze waren zelf tot die tijd buiten Berlijn geweest). Van hun Kafka was ik onder de indruk. Ze zijn niet alleen uitstekende tekstbewerkers, die Kafka’s tekst zo weten te bewerken dat je het gevoel hebt het hele ding gehoord te hebben (ze deden dat ook al met Orwells 1984 en met een tekst van Stefan Zweig en nog anderen), ze weten het ook op een, vaak onnadrukkelijke manier om te zetten naar theater. Uwe die over de grond kruipt met een enorme tuba en onderwijl een passage uit Die Verwandlung brengt (daarnaast was er ook nog een fragment uit Das Schloß in het geheel gemonteerd) – het geeft nog extra reliëf en emotie aan de tekst van de Brief. Daarna dronken we nog wat op een terras van een café dat 24 op 7 open is, en dat ligt op de drukke kruising van de Richard-Wagner-Straße en de Otto-Suhr-Allee. Hoe Berlijns kun je het krijgen?
Maar daarna weer het isolement van het schrijven, slecht slapen want inmiddels echt in het stadium waarin je aan niks anders meer denkt dan aan de volgende zin, aan daaruit voortvloeiende scènes, aan wat daarop volgen moet, wat daar nog tussen kan, wat elders, eerder in het geschrevene beslist nog toegevoegd moet worden. Ik weet niet precies hoe je ‘geluk’ moet omschrijven, maar dit komt er wat mij betreft dicht bij in de buurt. De twijfel wijkt zelfs af en toe voor opperste tevredenheid, gegrinnik bij iets wat ik zelf erg grappig vind, even de overweging of er misschien dan tóch nog een late carrière als standup-comedian inzit (dat duurt gelukkig nooit lang), het gevoel dat je eigenlijk niet meer nadenkt maar daadwerkelijk volgt wat je de tekst ziet doen.
Dan is het af.
Dan prutst een mens nog wat. En is het wéér af.
En men prutst toch nog wat door.
Of eigenlijk verandert dat prutsen, de kleine wijzigingen die je her en der nog aanbrengt, niets aan het gegeven dat je wel degelijk klaar bent. De eerste opmerkingen van vertrouwde mee-lezers komen binnen, die soms vragen bevatten die even problematisch lijken – moet ik daar nou nog iets tússen schrijven? Dat zou het ritme ernstig verstoren –, maar vaak op te lossen blijken met kleine toevoegingen.
En als dat achter de rug is, blijf je in de tekst grasduinen, meer omdat het erg jammer is, dat het af is. Schrijven is een verslaving, met als ultieme beloning dat tijdens het schrijven de dood niet lijkt te bestaan (Canetti heeft daar mooie dingen over gezegd), alles volstrekt zinvol is, omdat het boek zijn eigen zin en betekenis genereert. Het is moeilijk om daarna in de werkelijkheid van alledag eenzelfde volheid terug te vinden.

Je gaat voor het eerst alleen naar een café en bestelt in Kapitalist in de Oderberger Straße een bier dat ‘Bier’ heet, omdat dat je de ultieme terugkeer naar de werkelijkheid lijkt, waarin de dingen zijn wat ze nu eenmaal zijn. Je koopt bij een standje op de hoek een kilo aardbeien. Je wandelt de Kastanienallee af, langs de Zionskirchplatz, langs het Weinbergspark, over de drukke Rosenthaler Platz naar de Hackescher Markt en vandaar door het Monbijou Park langs de Spree naar de Friedrichstraße en naar Dussmann, ‘das KulturKaufhaus’, terwijl je geen boeken wilt kopen, maar toch even kijkt of en hoe Gaea Schoeters erbij ligt op de stapel bestsellers, een foldertje meeneemt van e-book-readers omdat je je dochter er een cadeau wilt doen voor haar verjaardag. Je neemt de tram terug naar de Schönhauser Allee. Je eet meer aardbeien dan de bedoeling was. Je facetimet met de liefste.
Een gedachte over “Dagen in Berlijn 27”