Dagen in Berlijn 24: Geiger

Arno Geiger trekt in zijn laatste boek, Das glückliche Geheimnis, af en toe flink van leer. ‘Nicht an Geist,’ zo schrijft hij bijvoorbeeld over collegaschrijvers, ‘an Charakter mangle es den meisten Schriftstellern und Schriftstellerinnen.’ En hij vervolgt:

Es fehle ihnen an Mut zur Ehrlichkeit, ihre Eitelkeit stehe ihnen im Weg, Anbiederung bestimme die Tagesordnung. Aufrichtigkeit sei die Quelle aller Genialität.

[ De meeste schrijvers hebben geen gebrek aan geest, maar aan karakter. Ze missen de moed om eerlijk te zijn, hun ijdelheid staat in de weg, in het gevlij trachten te komen bepaalt de agenda. Eerlijkheid is de bron van alle genialiteit. ]

Dat klinkt naar iets wat we uit de Nederlandse literatuur ook kennen: het persoonlijkheidscriterium zoals dat in de schoot van het tijdschrift Forum (1932-1935) door met name de heren Ter Braak en Du Perron werd geformuleerd in het verlengde van een polemiek die begin jaren dertig had plaatsgevonden en die sindsdien bekendstaat als de ‘vorm of vent’-discussie. Ook in die discussie, en in de discussies over literatuur tout court, kwamen begrippen als ‘eerlijkheid’ en ‘oprechtheid’ regelmatig voor. 

‘Vorm of vent’ (aan vrouwen deden de heren in de jaren dertig nog niet werkelijk, en als ze het wel deden, betrof het uitzonderingen op de regel dat ‘damesliteratuur’ niet de moeite waard was) – ‘vorm of vent’ is een tegenstelling die in de Nederlandse literatuur is blijven opduiken, zij het niet precies in de betekenis die er door Forum aan werd gegeven. Ze is van stal gehaald om het verschil tussen ‘experimentele’ en ‘traditionele’ literatuur aan te duiden; ze werd ingezet om af te rekenen met de ‘autonomistische’ traditie in de poëzie ten gunste van een ‘maximale’, ‘expressieve’ poëzie; ze duikt ook op in de discussie over autobiografie versus fictie die vandaag de dag (zij het niet erg heftig of dominant) wordt gevoerd.

Maar zelfs waar de tegenstelling werd ingezet in een andere context dan de oorspronkelijke, in al die discussies leken oprechtheid en eerlijkheid een rol te spelen. Het onderliggende begrip daarbij lijkt me ‘echtheid’ te zijn. Literatuur moet echt zijn. Een experimentele schrijver die zich niet aan de interpunctie wenst te houden, of zelfs de gangbare betekenis van woorden ondermijnt; een dichter die (altijd als onbegrijpelijk voorgestelde) zelfreflexieve, op de taal zelf gerichte (in plaats van op de met taal gebrachte boodschap) poëzie schrijft, laadt nog steeds de verdenking op zich ‘gekunsteld’ bezig te zijn. 

Het lijkt een merkwaardige paradox: dat juist in kunst (in literatuur) het gekunstelde vaak verdacht is. Geiger citeert ergens Arno Schmidt (uit diens Seelandschaft mit Pocahontas (1953)): ‘Der Künstler hat nur die Wahl, ob er als Mensch existieren will, oder als Werk; im zweiten Fall besieht man sich den defekten Rest besser nicht’. En: ‘Der Künstler der sich nur über das Werk begreife, löse sich langsam auf’.

[De kunstenaar heeft alleen de keuze of hij als mens of als werk wil bestaan; in het tweede geval is het beter om niet naar de gebrekkige rest te kijken’. 

‘De kunstenaar die zichzelf alleen door het werk begrijpt, lost langzaam op.’]

Dat er op zich iets oneerlijks schuilt in dit soort redeneringen is Geiger zich wel bewust. Zonder vorm vaart niemand wel, ook dat weet elke zichzelf respecterende kunstenaar. En wie zich, zoals Geiger in dit boek, heeft voorgenomen om zonder omwegen over zichzelf te schrijven, stuit al gauw op een andere paradox. Geiger schrijft:

Mir ist klar, ein Buch über mich selbst, das ist schwierig, schwieriger als ein Roman. Ich bringe das Erlebte in eine erzählbare Ordnung und bin gleichzeitig viel zu sehr Künstler, als dass eine Art Chronik entstehen könnte. Ich bemühe mich um Aufrichtigkeit, ja klar. Aber auch Aufrichtigkeit ist eine persönliche Sicht der Dinge und nicht realisierbar, selbst nach den strengsten Richtlinien. Das Erzählte ist nie wahr. Die herausforderung besteht wohl darin das Selbsterlebte so zu transformieren, dass mehr herauskomt als ‘nur’ etwas in den eigenen Augen aufrichtiges. Ein autobiografisches Buch muss so geschrieben sein, dass die Fähigkeit zum Irrtum ausgeglichen wird durch Vertrauenswürdigkeit auf tieferer Ebene. Man schreibt, obwohl man irrt, im Wissen um die eigene Unvernunft.

[Ik realiseer me dat een boek over mezelf moeilijk is, moeilijker dan een roman. Ik zet wat ik heb meegemaakt in een vertelbare volgorde en tegelijkertijd ben ik veel te veel kunstenaar om het een soort kroniek te laten zijn. Ik streef natuurlijk naar oprechtheid. Maar zelfs oprechtheid is een persoonlijke kijk op de dingen en niet realiseerbaar, zelfs niet volgens de strengste richtlijnen. Wat verteld wordt, is nooit waar. De uitdaging is om het zelf ervarene zo te transformeren dat er meer uitkomt dan ‘gewoon’ iets oprechts in eigen ogen. Een autobiografisch boek moet op zo’n manier geschreven worden dat het vermogen om fouten te maken in evenwicht wordt gehouden door betrouwbaarheid op een dieper niveau. Je schrijft, hoewel je je vergist, in het besef van je eigen onverstand.]

‘Das Erzählte ist nie wahr.’ Het is wat elke schrijver die eerlijk is tegen zichzelf zal bevestigen, zélfs als de noodzaak tot waarheid het allergrootst is (zoals bij kampliteratuur en andere boeken die eerder getuigenis willen zijn dan belletrie). Alleen literatuur kan de getuigenis redden, stelde kampoverlevende Jorge Semprun zelfs ooit. Men kan zich dus afvragen of het beroep op de echtheid van veel schrijvers die zich expliciet tegen ‘de vorm’ keren, niet op zichzelf oneerlijk is. Ik moet altijd weer glimlachen om Du Perrons afkeer van (de in zijn tijd) moderne poëzie, waarin het vormelijke zo nadrukkelijk op de voorgrond treedt. Als het om poëzie gaat, zo schreef hij ongeveer, dan gaat het om de meer ‘natuurlijke’, de meer ‘geregelde’ vormen die er bestaan. Hij doelde daarmee op het sonnet en andere, vóór de avantgardisten gebruikelijke vormen in de poëzie. Alsof een sonnet ‘eerlijk’ is in de door hem bedoelde zin; alsof ‘vorm’ daar niet dwingender is dan in wat niet helemaal voor niets ‘het vrije vers’ wordt genoemd.

En, om de ironie ten top te voeren, zijn de dichters die beweerden dat elke vorm in principe een leugen is, en dat daarom ‘het zwijgen’ (of het tot zwijgen proberen te brengen) van alle dingen in de werkelijkheid uiteindelijk de grootste waarheid is, het ‘echtste’, – zijn die niet ‘eerlijker’ dan allen die dat negeren in hun werk? En waren het niet juist die dichters die een te veel aan ‘vorm’ werd verweten?

Dat Geiger er zich in zijn boek wel van bewust is, maakt zijn wat stoere uitspraken over collega’s enigszins futiel. De opmerkingen over ijdelheid en ‘Anbiederung’ lijken me typisch te zijn voor een succesauteur die allang in de omstandigheid verkeert dat hij over ijdelheid niet hoeft na te denken omdat zijn ijdelheid sowieso wordt gestreeld, en hij bij niemand in de gunst hoeft te komen omdat zijn succes maakt dat het eerder omgekeerd is: dat men tracht bij hem in de gunst te komen. 

Maar zijn boek maakt duidelijk dat hij ergens een afzetpunt nodig had, juist omdat ‘het gelukkige geheim’ waarvan de titel rept, bestaat uit strooptochten langs papiercontainers die hij jarenlang ondernam, en uit het verwerken van de brieven en andere documenten die hij daarin vond, documenten die hem veel geleerd hebben, schrijft hij, over wat een mens uiteindelijk is. Die brieven zijn niet geschreven met een ander doel dan het overbrengen van een boodschap; ze zijn meestal ongefilterd – een schrijver zou zeggen: ze zijn ‘ruw’ materiaal. Of dat automatisch betekent dat daarmee de eerlijkheid verzekerd is, blijft voor mij een open vraag. Onbeholpenheid is niet per se authentiek. 

Maar de strooptochten en de bij die tochten buitgemaakte documenten vormen het fundament van zijn schrijverschap:

In vielen Briefen stieß ich auf eine beiläufige Offenheit, die mir gefiel, eine gänzlich unverkrampfte Direktheit, die mich zuerst beeindruckte, dann beeinflusste und schließlich mein Schreiben veränderte. Meine Offenheit in diesem Buch steht damit in direktem Zusammenhang. Diese Offenheit passiert mir nicht einfach, ich entscheide mich bewusst für sie, weil ich glaube, dass sie das Leben sichtbar macht. Das ist es warum es mir in der Literatur geht: dat Leben sichtbar und dadurch verständlicher machen. Ich versuche meine Verpflichtungen als Schriftsteller nachzukommen. Das Leben ist ein Versuch. Und auch das Schreiben ist ein Versuch. Ginge, was ich schreibe, nur mich etwas an, bestünde der Fehler nicht in der Offenheit, sondern in meiner schriftstellerischen Unfähigkeit, dem Persönlichen grundsätzliche Bedeutung zu geben. Dieser Vorwurf hätte Gewicht. Hingegen wenn ich aufgrund meiner Offenheit da und dort scheel angeschaut werde, ist das nicht angenehm, vom künstlerischen Standpunkt aus jedoch irrelevant. 

[In veel brieven kwam ik een ongedwongen openheid tegen die me beviel, een volkomen ongeremde directheid die eerst indruk op me maakte, me vervolgens beïnvloedde en uiteindelijk mijn schrijven veranderde. Mijn openhartigheid in dit boek heeft hier direct mee te maken. Deze openheid overkomt me niet zomaar, ik kies er bewust voor omdat ik geloof dat het het leven zichtbaar maakt. Dat is waar literatuur voor mij over gaat: het leven zichtbaar en dus begrijpelijker maken. Ik probeer te voldoen aan mijn verplichtingen als schrijver. Het leven is een poging. En schrijven is ook een poging. Als wat ik schrijf alleen mijn zaak zou zijn, zou de fout niet liggen in mijn openheid, maar in mijn onvermogen als schrijver om fundamentele betekenis te geven aan het persoonlijke. Deze beschuldiging zou zwaar wegen. Aan de andere kant, als ik hier en daar scheef wordt aangekeken vanwege mijn openheid, is dat niet prettig, maar vanuit artistiek oogpunt is het irrelevant.]

Ondanks de schijn van het tegendeel ligt hier toch ook weer alle nadruk op wat Geiger zijn ‘Verpflichtungen als Schriftsteller’ noemt, en op de noodzaak ‘dem Persönlichen grundsätzliche Bedeutung’ te geven. Het persoonlijke is niet persoonlijk als het niet boven-persoonlijk is; het is dan hoogstens particulier. Op die dunne draad tussen (boven)persoonlijk en particulier balanceert dit boek, en het lukt Geiger in mijn ogen niet altijd om dat wat hij beschrijft uit te tillen boven het particuliere belang dat het voor hem heeft. Over zijn dementerende vader schreef hij indrukwekkend in Der alte König in seinem Exil, bijvoorbeeld, wat het relaas van zijn dementerende vader in dit boek niet eens tot een nodeloze herhaling maakt, maar eerder nog een flauw afkooksel doet lijken van de roman uit 2011.

Maar de voornaamste bedenking die ik bij dit boek heb, is dat de ‘openheid’ die hier als een soort poëticaal beginsel wordt geponeerd, niet los gezien kan worden van de beroemdheid van de auteur, van zijn publieke personage. Bij veel dacht ik, zo hij het zelf al niet in romans had verwerkt: daar zou een boeiende roman inzitten – terwijl het vertelde in de vorm die het in dit boek aannam, eigenlijk niet werkelijk boeit. De roerige liefdesgeschiedenis met zijn zedig als ‘K.’ omschreven vrouw, bijvoorbeeld. Uiteindelijk is het omdat Arno Geiger nu eenmaal Arno Geiger is, beroemd Oostenrijks auteur, dat dergelijke geschiedenissen als een blijk van de gezochte ‘openheid’ verkocht kunnen worden. Voor mij lukt het Geiger hier niet om aan het beschrevene een fundamentele betekenis te geven die het particuliere overstijgt.

Maar schrijven is een poging. Net als het leven. En wat dit boek zeker wel doet, is me doen nadenken, nóg maar eens doen nadenken, over de balans tussen (historische) werkelijkheid en de waarachtigheid van fictie, zeker ook met betrekking tot mijn eigen werk, waarin autobiografische aanleidingen zich tot nu toe altijd hebben ‘verschreven’ tot iets wat alleen voor ingewijden een intricaat bouwwerk van leugen en waarheid was, voor willekeurige lezers hopelijk een verhaal waarin niet zozeer het leven zichtbaarder en begrijpelijker gemaakt werd (ook op dat punt verschil ik met Geiger van mening), maar hij of zij medeplichtig werd aan een leven, een werkelijkheid, waarmee men zich in het eigen, ‘normale’ leven wellicht niet zou (willen) identificeren. De klaarheid, de echtheid die Geiger veronderstelt bij de formulering van datgene waar het hem in het schrijven om gaat, is nu juist dat wat niet bestaat. In die zin was en is de ‘vorm of vent’-discussie, op welke wijze ook geïnterpreteerd, altijd al de verkeerde discussie geweest.

Ik schreef ooit een tekst voor een zogeheten ‘Getijdenboek’, dat uitgegeven zou worden door een kleine uitgeverij in Groningen, uitgeverij Philip Elchers. Ik kan, hier in Berlijn, nu niet opzoeken of dat getijdenboek daadwerkelijk verschenen is. Het werd jaren uitgesteld, herinner ik me, en uiteindelijk verscheen er dan toch iets, maar niet zoals het was bedoeld… enfin. Maar die tekst ging over waarheid en leugen. ‘Lieg met mij’. Ik geloof dat dat de bede is die ik aan mijn lezers richt. Ik neem de tekst — bedoeld als bijdrage aan een ‘gebedenboek waarin de getijden staan’, dixit Van Dale — hier op:

Rationele lessen

Natuurlijk zijn we wanhopig. God bestaat of hij bestaat niet. Ik zou zwijgen als het anders was. Hij schuilt in landschappen waarvan je foto’s nam waarop je hem later niet meer terugvond. Of hij schuilt daarin niet en nooit en nergens en het zijn dezelfde cipressen, het is hetzelfde wuivende graan, het zijn dezelfde wijnstokken onder die brandende zon. En je neemt een foto.

Natuurlijk zijn wij wanhopig. Wat had je dan verwacht? Zou je anders zo opstandig zijn?

Altijd is er de ander die ons ziet, de ander tegenover, de ander binnenin, de fabulant die met spek schiet, de knopendraaier die ons het verhaal aannaait waarin wij verstrikt zijn geraakt, ons Nessuskleed.

En van wie we houden, vaak meer dan ons lief is.

Want wie voelde zich nooit verraden door een blik die hem tot vreemde maakte in zijn eigen huis? Het kunnen haar ogen zijn, zij die haar haar zo kunstig opdraait in het ochtendlicht. Maar een spiegel volstaat al.

En dan: wie wierp zelf nooit zo’n blik waarin de ander tot indringer werd? En ook dat kun jij zijn, dezelfde ogen van altijd, diezelfde mond. En je slaat als een kat naar iets achter de spiegel.

Of zij is het en ze verstart, haar armen tot halverwege haar haren geheven.

Wat is wijsheid? De opstand tegen wat de ander, die ene of allen, van ons maakt in zijn of haar verlangen, maar dat wij niet zijn? De waarheid die zich daarvan afzondert in onszelf en zich zo van ons verwijdert?

Bedoel ik de naakte huid misschien? Of dat wat het omhult? Een landschap van lever, van ruisende longen, van het ondoordringbare hart? Maar het lichaam is rusteloos als de zee en verlangt naar verhalen. Geen foto die het bevat.

Luister, er zijn er die zichzelf pijnigen met hun schaduw. Er zijn er die zoeken in een winkelruit hun profiel te zien. Er zijn er die verlangen zich op de rug te kunnen kijken om de plek te zien die zij innemen tussen de mensen. Maar geen schaduw wijkt en in de winkelruit draait juist een vreemde zijn hoofd terug en wordt ons eigen. Om te zien waar we ons bevinden, verlaten we de plek waar we zijn en vinden ons onder de mensen niet terug.

Ik vraag je: wat is wijsheid? De berusting in wat voor ons gereed ligt en ons het één met het ander doet verwarren, huid met kleed, het ruisen van stof met onze adem? De leugen die zich zo in en op ons vastzet, maar juist daardoor rafelt aan de randen?

Bedoel ik onze dromen misschien? Of dat wat zij onthullen? Het hart als de lipbloemige liefde, een lichaam vol adem en handen, de oksel waaronder, de borsten waartussen, de navel waarin en waaruit, dit liggen in zacht vilten lakens voor nu en altijd. Maar dromen zijn als water dat uitstroomt in de lichamen waaruit wij ontwaken. Geen hart stopt met bloeden.

Ik zeg je: wij doodden de goden uit naam van een god die we doodden uit naam van de waarheid die we doodden uit naam van de mens die we doodden uit naam van de ervaring – die ons de dood brengt. De dood en de hunkering: naar de mens, naar de waarheid, naar een god, naar de goden, naar de ander die in ons hurkt of over ons gesteld werd, die haar haar zo kunstig opdraait in het ochtendlicht. Wij hunkeren naar een lichaam dat zwijgt. 

Ik zeg je: wij zijn wanhopig en vol herinneringen. Die de onze niet zijn. Maar waarvan we houden, meer dan ons lief is.

Want wie stond nooit voor een vergezicht dat hij niet eerder zag – cipressen en het wuivend graan, de wijnstok onder een zon die even, heel even stil lijkt te staan – en herkende dat? Wie keek nimmer in een eerste gezicht dat hem als teken een betekenis was? Wij waren thuis voordat wij wisten waar dat was, zodat het moeite kost ons te herinneren dat de herkenning maar een moment is van vergeten – dat ik hier, jij daar moet staan. En op de foto’s die we namen worden we weer vreemden die in het hen ontvallend landschap achterbleven en verlangen naar een thuis. 

Ik zeg je: wij worden gemaakt of gebroken.

Lieg met mij.

Want in de leugen schuilt de opstand tegen het verhaal dat we koesteren maar niet zijn, het verzet dat onze waarheid is. De kat achter de spiegel. Het landschap onderhuids. En in de opstand schuilt de leugen van het verhaal dat we dagelijks verraden door te blijven wie we waren, te blijven wie we zijn, te blijven wie we zullen zijn, jij en ik. Ons Nessuskleed. Het één en het ander, en het verlangen juist daartussen te kiezen.

Natuurlijk is God dood, maar het is onmogelijk daarover niet te spreken. Hij blijft een herinnering die de onze niet is. En natuurlijk is het leven absurd, maar juist daarin een herinnering aan wie of wat wij doodden en blijven doden, in onszelf, in een ander, in mij, in jou.

Daartussen dezelfde cipressen, hetzelfde wuivende graan, dezelfde wijnstokken onder die brandende zon, het landschap als landschap en denkbeeld. Daartussen het hart dat ons voedt en verschrikt. Daartussen de eenvoud als meervoud van het één en het ander. En telkens weer is zij het, zij die haar haar zo kunstig opdraait in het ochtendlicht.

Want wij bestaan.

Geloof me.

Ik zou zwijgen als het anders was. 

Plaats een reactie