Geschiedvervalsing

Zegt Christophe Vekeman afgelopen woensdag in De Morgen tegen Joost Zwagerman: ‘In uw polemieken, bijvoorbeeld tegen Marc Reugebrink in Collega’s van God, blijft u altijd opvallend beschaafd’. Antwoordt Zwagerman: ‘Nou, die is anders heel lang woedend op mij geweest, hoor.’

Belangrijk is het niet, en toch… het achtervolgt me nu al jaren: mijn zogenaamde aanvaring met Joost Zwagerman aan het eind van de jaren tachtig. Alweer jaren geleden stond er in Poëziekrant een interview van Fleur Speet met Zwagerman naar aanleiding van het verschijnen van Bekentenissen van een pseudomaan (2001). Bij die gelegenheid sloeg Zwagerman zelfs aan het fabuleren over alweer die aanvaring eind jaren tachtig. Ik schreef toen een stuk om ook eens wat aandacht te krijgen voor mijn kijk op de zaak. Die bestaat vooral uit de vaststelling dat er van een werkelijke aanvaring met Zwagerman eind jaren tachtig nooit sprake is geweest. Er is ook nergens een artikel van mij terug te vinden waaruit zou blijken dat ik mij verschrikkelijk tegen Joost Zwagerman gekant zou hebben. Ik liet me ooit in een interview in De Volkskrant (ergens in 1988) niet in gunstige zin uit over dichtersbeweging De Maximalen, zonder woedend te zijn; ik schreef ooit een open brief aan zwagermans adres in De Groene Amsterdammer waarop vooral Zwagerman woedend reageerde; ik schreef een negatieve recensie over De buitenvrouw in het Nieuwblad van het noorden (21-10-1994), maar alweer zonder woedend te zijn of iets dergelijks. De enige aanvaring waarvan sprake is, vond plaats in Groningen (enfin, zie hieronder).

Ik besloot dus na het interview van Fleur Speet eens een stukje te schrijven om mijn kant van de zaak wat te belichten. Per slot van rekening was ik ook al in min of meer officiële literatuurgeschiedenissen tegengekomen dat ik me geweldig had verzet tegen de Maximalen, en tegen Zwagerman in het bijzonder (altijd zonder dat ook maar één artikel genoemd kon worden waaruit dat dan bleek). Ik stuurde dat stukje op naar Willy Tibergien. Via via vernam ik dat Tibergien even contact had opgenomen met Fleur Speet naar aanleiding van mijn stukje, en dat Fleur Speet het niet nodig had gevonden dat mijn stukje in Poëziekrant werd opgenomen. Dat verbaasde mij toch wel een beetje. En ik vond het ook enigszins onfatsoenlijk — maar bon. Men went aan alles.

Maar telkens als ik weer eens een verwijzing naar die zogenaamde strijd aan het eind van de jaren tachtig tegenkom (die was er wel, maar niet met mij; ik herinner me boze stukken van Wiel Kusters en nog een aantal door Maximaal geviseerde dichters en critici), denk ik onwillekeurig: zo zat het dus niet.

Ik geef hieronder het stuk dat ik aan Poëziekrant stuurde (het betreffende interview stond dus in PK 2001, nr. 5), zodat in ieder geval ergens mijn versie van de feiten een plek krijgt.

OP EEN AVOND IN GRONINGEN…

kanttekeningen bij een petite histoire

(2001)

>>Als ik ergens een hekel aan heb dan is het wel aan die typisch Hollandse neiging om dat wat niet meer dan petite histoire is tot nationale literatuurgeschiedenis te verheffen. Ruzies tussen schrijvers op de hoek van, laten we zeggen het Spui en de Nieuwezijds Voorburgwal te Amsterdam, groeien in de specifiek Nederlandse literatuurbeschouwing al snel uit tot heuse ‘literaire’ kwesties, terwijl het meestal om niet meer gaat dan (gewoonlijk) twee heren die zichzelf een dermate groot ego hebben aangemeten, dat een woordenwisseling op een straathoek welhaast niets anders kán zijn dan een ‘datum’ in de literatuurgeschiedenis – het moment waarop de Nederlandse, zelfs de Nederlandstalige literatuur in haar geheel, definitief van aanzien veranderde.

In die zin zou ik Joost Zwagerman dus dankbaar moeten zijn dat hij in het interview dat hij in Poëziekrant 5 met Fleur Speet had, nog eens teruggrijpt naar een literaire avond in 1988, toen in Groningen een podiumdiscussie plaatsvond tussen Rogi Wieg, Elma van Haren, Zwagerman en mijzelf, want, zo kan men uit het interview opmaken, dat was me nogal een avond. “Reugebrink wilde bijna letterlijk met me op de vuist,” zo zegt Zwagerman in dat interview. “Hij had tegen Elma van Haren gezegd: ‘Als het mij niet bevalt wat Zwagerman zegt, dan timmer ik hem na afloop in elkaar.’ Gelukkig vertelde Elma me dat pas veel later. Maar goed, het gaf wel aan hoe de verhoudingen waren.”

Nu heb ik in de wandelgangen van de literatuur de afgelopen dertien jaar wel vaker van deze en gene gehoord dat die bewuste avond in Groningen op Zwagerman een diepe indruk gemaakt moet hebben. Zo vroeg A.F.Th van der Heijden mij jaren nadien hoe of dat nu precies zat met “die ruzie” tussen Zwagerman en mij. Welke ruzie, wilde ik weten. Nou, kijk eens, Van der Heijden was Zwagerman bij de slager tegengekomen en… enzovoorts. Ik kon alleen maar antwoorden dat “die ruzie” zich blijkbaar volledig in het hoofd van Zwagerman afspeelde, en het leek mij toen al dat de animositeit die er tijdens de discussie in Groningen tussen hem en mij wel degelijk was geweest, door hem nogal werd gecultiveerd en bijgevolg opgeblazen. Ik concludeer nu dat de toenmalige woordenwisseling inmiddels mythische proporties heeft gekregen.

Helemaal onbegrijpelijk is dat niet. De Maximalen zijn zelf een mythe geworden waarin waarheid en leugen niet goed meer van elkaar te onderscheiden zijn (zo beweerde R.L.K. Fokkema in zijn toch alleszins respectabele poëziegeschiedenis Aan de mond van al die rivieren dat Arjen Duinker aanwezig was bij een discussie die in oktober 1986 in boekhandel De Verloren Tijd plaatsvond, een samenkomst die als “belangrijke aanzet tot het ontstaan van de Maximalen als groep” gezien moet worden (p. 117), maar Duinker zelf weet heel zeker dat hij daar nooit is geweest). Er is Zwagerman, als toch één van de voormannen van de Maximalen, blijkbaar veel aan gelegen die mythe in stand te houden. De suggestie dat er eind jaren tachtig een hevige strijd woedde, dat men toentertijd “bijna letterlijk” met elkaar op de vuist ging, komt daarbij goed van pas. Dat ik in het hoofd van Zwagerman — die in dit opzicht toch meer weg heeft van een mythomaan dan van een pseudomaan — ben uitgegroeid tot de verpersoonlijking van de felle tegenstand die er tegen de Maximalen bestaan zou hebben, dat hij met andere woorden nu al dertien jaar lang – in de wandelgangen, maar dus nu blijkbaar ook weer op een meer publieke plaats – probeert van mij zoiets als een symbool te maken van die tegenstand, het duidt op een diep verlangen de Maximalen eens te meer als een heroïsche verzetsbeweging neer te zetten. Met de werkelijkheid uit die dagen heeft het echter niet zo heel veel te maken.

Sterker nog: de animositeit op die bewuste avond in Groningen had precies te maken met de wijze waarop de Maximalen, in casu Zwagerman, trachtten hun eigen geschiedenis vorm te geven. Op 26 september 1988, een anderhalve maand voordat die avond plaatsvond, kreeg ik van Zwagerman een handgeschreven brief met daarbij zijn toen juist verschenen tweede dichtbundel De ziekte van jij. Hij refereerde in die brief aan de sceptische opmerkingen die ik weer enige tijd daarvoor in een interview in de Volkskrant over de Maximalen had gemaakt. Hij refereerde ook aan de zeer negatieve recensie die hij over mijn eerder dat jaar verschenen debuutbundel Komgrond in Vrij Nederland had geschreven. Beide zaken waren voor hem aanleiding om mij te vragen of ik voor De Held – het blad dat op dat moment als spreekbuis voor de Maximalen gold en waarvan Zwagerman redacteur was – niet een stuk over zijn bundel wilde schrijven waarin ik hetzelfde deed als hij met mijn bundel in Vrij Nederland had gedaan. Dat lijkt ruimhartig, maar wanneer iemand je verzoekt hem af te slachten, kun je maar beter op je qui vive zijn. Dat was ook het eerste wat ik me afvroeg toen ik die brief las: waarom zou hij dat willen? En dan: wat als ik De ziekte van jij nu eens een goede bundel vond? Die mogelijkheid had hij blijkbaar zelf al op voorhand uitgesloten, en dat lijkt me veelbetekenend. De Maximalen zelf creëerden een sfeer waarin het ‘wie niet met ons is, is tegen ons’ de boventoon voerde, zodat de scepsis waarvan ik in het Volkskrant-interview blijk had gegeven, in hun ogen niets anders kón zijn dan een oorlogsverklaring. In ieder geval begreep ik dat ik Zwagermans recensie in Vrij Nederland als zoiets als een oorlogsverklaring had moeten begrijpen – wat niet het geval was.

Uiteraard was ik met dat stuk niet blij; ik was zelfs verontwaardigd, en precies om de redenen die Joost Niemöller wat later aangaf toen hij, in De Held, in een recensie over Komgrond inging op Zwagermans Vrij Nederland-stuk. Zwagerman, stelde Niemöller ongeveer, had mijn poëzie wel erg door een zwart-wit bril bekeken en was daardoor toch minstens aan één oog blind geweest. Maar zelfs voordat dat stuk verscheen, had ik al begrepen dat die blindheid het prerogatief van de recensent is, en zelfs een voorwaarde voor zoiets als literaire kritiek, ook al leidde dat in het geval van Zwagerman dan tot het verkeerd citeren van dichtregels in zijn ijver mij neer te zetten als een epigoon van Kouwenaar en Faverey. De criticus die elke bundel uitsluitend op zijn eigen merites beschouwt, is een boekhouder, geen criticus, al moet hij natuurlijk wel correct blijven citeren.  

Hoe dat ook zij – mijn scepsis tegenover de Maximalen was in mijn hoofd geen vijandschap. Ik besloot na het lezen van Zwagermans brief dan ook om hem te bellen, legde hem uit dat ik bij het lezen van zijn naam op het omslag van De ziekte van jij nu niet onmiddellijk een waas voor ogen kreeg, dat ik derhalve ook niet op zijn verzoek in zou gaan, maar dat ik het verzoek zelf zo merkwaardig vond dat ik er in een open brief aan zijn adres wel iets over wilde zeggen.

Dat was niet de bedoeling…

Nee, natuurlijk was dat niet de bedoeling. Zo’n brief zou maar duidelijk maken hoezeer de Maximalen drukdoende waren om binnen de poëzie een oppositie te creëren, hoe ze trachtten om het welbekende scenario van de literaire vernieuwing (normverandering, generatiewisseling, vadermoord) gestalte te geven in een literair klimaat waarin de meeste nieuwe dichters nauwelijks nog animo hadden om zich volgens dat scenario te manifesteren. Dat had in de literaire pers al tot de constatering geleid dat er in de Nederlandse literatuur ‘niets’ meer gebeurde. De literaire pers leeft van de nieuwswaarde van literatuur en heeft nauwelijks aandacht voor de literaire waarde ervan. De Maximalen speelden daar handig op in. Woorden als ‘bloedeloos’ en ‘saai’ doken op in de, geheel volgens de regels van de traditie door hen de wereld ingestuurde manifesten en de pers hapte toe. Er werd vooral voor de ogen van die pers keurig een literaire revolutie georganiseerd, en binnen dat scenario was het noodzakelijk dat je ook de vijandschappen regisseerde. Dat was wat Zwagerman middels die aan mij gerichte brief probeerde te doen. Ik moest mij als ‘tegenstander’ opwerpen, mijn sabel trekken, Zwagerman afmaken. Maar, o ergernis, ik weigerde die mij toegeschoven rol te spelen. Ik dreigde in plaats daarvan een open brief te schrijven waarin ik precies dit in wezen nogal cynische mechanisme aan de kaak stelde.

Mij ging het om de poëzie van de Maximalen, en ik was niet de eerste en zeker niet de enige die vaststelde dat die poëzie zelf literair gesproken weinig nieuws te bieden had, zodat er een nogal diepe kloof gaapte tussen de holle frazen waarmee deze dichtersclub zich in manifesten en krantenartikelen presenteerde, en het werk zelf. Nieuwe poëzie was het in ieder geval niet, en ik heb een aantal jaren terug in Parmentier (jrg. 9, nr. 2, najaar 1999, p. 14-28) al eens gesuggereerd dat het de Maximalen ook helemaal niet zozeer om een totaal andere, nieuwe poëzie ging, maar dat ze de poëzie zoals die sinds het optreden van de experimentelen in de jaren vijftig in Nederland geschreven werd, terug opeisten. De poëtica van de Vijftigers was een door academici op basis van de poëzie gefabriceerde theorie die in toenemende mate dat wat aan die poëzie ten grondslag lag verborg: de ervaring die Lucebert ooit omschreef als het verlangen ‘de ruimte van het volledige leven’ tot uitdrukking te brengen. In die zin kun je de Maximalen opvatten als een beweging die verlost wenste te worden uit de kluisters van een volstrekt vertheoretiseerd en versteend poëzieklimaat. Het was een soort ‘revenge of art upon the intellect’, zoals je het met een omdraaiing van de woorden van Susan Sontag zou kunnen zeggen – of althans: het is mogelijk om te veronderstellen dat dat de inzet was.

Ik zal niet beweren dat ik in 1988 al in staat was om het optreden van de Maximalen in een dergelijk licht te bezien. Mij viel toen alleen dat door mij als al te cynisch beschouwde scenario op, en de rol die ik daarin moest spelen, maar weigerde. Ik schreef mijn open brief natuurlijk toch en die verscheen niet in De Held, maar in De Groene Amsterdammer (30-11-1988) — ik geloof één week na de beruchte avond te Groningen. Punt is dat ik vooraf had gemeend dat het wel zo beleefd was die brief ook naar Zwagerman te sturen (zodat nog voordat mijn brief was gepubliceerd een ellenlang antwoord van Zwagerman ter redactie arriveerde, samen met eindeloze telefonades waarin hij eiste dat zijn antwoord tegelijk met die open brief van mij zou worden afgedrukt, waar de redactie van De Groene overigens niet op inging). En ten slotte, omdat de gespreksleiders van die avond niet zo goed wisten wat ze mij nu precies moesten vragen, had ik die brief ook aan hen gestuurd. Een rampzalige beslissing, want de gespreksleiders (ik ben hun namen kwijt) roken bloed en brachten die brief meteen ter sprake. Dat leidde tot een eindeloze woordenwisseling tussen Zwagerman en mijzelf, waar Elma van Haren en Rogi Wieg (laat staan: het aanwezige publiek), onkundig van de achtergronden, weinig van begrepen en ook nauwelijks in betrokken werden. Mijn irritatie die avond kwam vooral voort uit het feit dat telkens wanneer ik probeerde uit te leggen waarover het ging, Zwagerman me als redderende regisseur van zijn zo zorgvuldig georkestreerde revolutie in de rede viel, zodat het niveau al snel daalde en het gesprek meer en meer neerkwam op de vraag wie wat op welk moment mocht zeggen. Als publieksavond nogal een mislukking, al bleek het publiek zich wel vermaakt te hebben met Zwagermans en mijn toenemende wederzijdse irritatie, die er uiteindelijk zelfs toe leidde dat Zwagerman opstond en wegbeende, vanuit mijn positie bezien: briesend (maar dat kan evengoed mijn verbeelding zijn), waarna de gespreksleiders ijlings de avond afsloten.

Als bewijs voor “hoe de verhoudingen waren” in die dagen, lijkt me die avond nogal ongeschikt. Die verhoudingen waren, voor zover het Zwagerman en mijzelf betreft, in ieder geval nooit wat Zwagerman er in het interview in PK 5 zo graag van wil maken, nog steeds worstelend met de Betekenis die de Maximalen in zijn ogen zouden moeten hebben, maar uiteindelijk nooit gehad hebben. En uiteraard heb ik nooit met fysiek geweld gedreigd, noch ooit iets dergelijks tegen Elma van Haren gezegd. Zwagermans neiging tot mythomanie in aanmerking genomen, betwijfel ik zelfs of Van Haren ooit de door haar zogezegd uit mijn mond opgetekende uitspraak aan Zwagerman overgebriefd heeft. Maar gesteld dat dat wél zo is, hoe zou Van Haren daar dan aan gekomen zijn?

Misschien dat een in 1995 door Mirjam Rotenstreich en Lisa Kuitert samengesteld literair album hierop een antwoord geeft. De gevoelige plaat heette dat boek, en het stond vol met foto’s en bijschriften die door verschillende auteurs waren aangeleverd. Daarin staat ook een foto van Zwagerman en mijzelf die op die bewuste avond werd genomen. Het is een foto waarop Zwagerman ogenschijnlijk beschuldigend naar mij wijst en ikzelf met een wat vertrokken kop achter een microfoon zit; om ons heen de nevelen van sigarettenrook. Een prachtig plaatje vond ik, waar ik niet anders dan met de nodige ironie naar kon kijken. Ik schreef er het volgende (helaas in het boek wat gemutileerde) tekstje bij:

Groningen, november 1988. Zij die daar zaten, zitten zwijgend te verwijzen naar wat tussen hen te dreigen hing. Dat is vergeten, of herinnering. Toch wordt er eentje aangewezen. Die kijkt in nevel. Zou hij nog weten dat die in zijn longen hing? En is die adem – gulzig inhaleren en dan innig laten circuleren totdat hij uitgeblazen wordt – ooit verdwenen als die hier zichtbaar adem is gebleven? Zou dan niet zijn te lezen wat hier verzwegen wordt? Ik kijk wat beter. Er is een vete! Ik ken dat uiterlijk vertrokken grijnzen van die kop. Die denkt: ik sla erop! Ik laat mij hier de les niet lezen! Zodra die nevel is verdwenen, trek ik op!

Het is gebaar gebleven. Dat wordt hem aangewezen. Zij die daar zitten, zitten daar elkaar verbeten zwijgend op de kop.

De ironische ondertoon van één en ander, de zelfrelativering ook, het vermogen te lachen om je eigen dodelijke ernst, is alleen waarneembaar voor degene die niet nog steeds verblind wordt door zelfgecreëerde mythes van vijandschap. Maar waar die mythes nog wel rondspoken in iemands hoofd – omdat hij een geschiedenis nodig heeft waarin hij voor zichzelf zichtbaar blijft als de held van het verhaal -, is zo’n tekstje natuurlijk een ondubbelzinnig bewijs voor de juistheid ervan. Daar staat het dan: “ik sla erop!” – petite histoire, om door hem moverende redenen monsterlijk vertekend door Zwagerman, die tot officiële literatuurgeschiedenis is gepromoveerd. Nog steeds tracht Zwagerman andermans rol in de literatuur te regisseren om zijn eigen rol in de literatuurgeschiedenis volledig in eigen hand te houden.<<

En die foto? Die zag er zo uit:

Naamloos1.jpg
Wat ik in bovenstaand stuk niet vermeldde (het leek me niet relevant; het is niet controleerbaar ook) was een autorit die ik samen met Elma van Haren maakte, ergens begin jaren negentig, denk ik. We waren beiden present geweest op een poëziefestival in Landgraaf, Limburg. Ik reed in een oranje Mazda 323 uit het jaar nul, en Elma droeg een blauwe, lange jurk. Ik moest naar het noorden, zij wilde haar moeder bezoeken die ergens in een dorp aan de Maas woonde, en ik had aangeboden daar langs te rijden. Tijdens die rit (Elma met haar blote voeten op het dashboard) kwamen we nog eens terug op die merkwaardige avond in Groningen. Ik herinner me dat ik tegen haar zei dat Zwagerman aan het eind van die avond een agressieve indruk op me maakte, en dat ik even had gedacht: die gaat me in elkaar slaan. Misschien dat dat gesprek via een omweg en met de nodige bijkleuring van wie dan ook maar bij Joost terecht is gekomen.

Zoals gezegd: belangrijk is het allemaal niet. History in the making — dat is het natuurlijk wel. De vertekening van de werkelijkheid totdat het historische verhaal klopt met wat op een zeker moment voor de historische werkelijkheid doorgaat. De Maximalen gelden als de laatste beweging in de Nederlandse poëzie. Dat ze dat volgens heel andere criteria niet zijn (het zijn de Vijftigers), doet dan nog nauwelijks terzake. Wat telt is wat er aan documenten terug te vinden is. Van mij zijn er geen artikelen te vinden die de suggestie ondersteunen dat ik in de jaren tachtig de grote vijand van de Maximalen geweest zou zijn. Ik had mijn bedenkingen, maar het waren de Maximalen zelf, of dan toch ten minste Joost Zwagerman, die wanhopig op zoek waren naar een Vijand, iemand die de rol kon vervullen die hun optreden pas werkelijk de kleur gaf die ze zochten.

Zijn handgeschreven brief met de uitnodiging hem in zijn eigen tijdschrift af te maken, heb ik natuurlijk goed bewaard.

4 gedachten over “Geschiedvervalsing

  1. Heel fijn stukje literatuurgeschiedenis dit. Heerlijk verhaal ook.
    Dat de Maximalen geen beweging in de poëzie zijn ben ik helemaal met je eens. Wel verschil ik met je van mening over dat de laatste beweging de Vijftigers zouden zijn; volgens mij zijn dat de zestigers – door mij hier bewust zonder hoofdletter geschreven.

    Like

  2. Wat precies wanneer een nieuwe Beweging genoemd mag worden, is natuurlijk afhankelijk van de criteria die je hanteert. Ik citeer een passage uit een overzichtsartikel van de Nederlandse poëzie dat ik ooit (ergens in de jaren negentig) voor het Zweedse tijdschrift Lyrikvännen schreef:
    >>
    ‘De Vijftigers (…) hadden de aansluiting bewerkt met de hele irrationeel georiënteerde zijde van de Europese avant-garde: met het surrealisme en de diverse postsurrealistische tendensen. De volgende generatie legt de link met de speelse, intellectualistische zijde ervan’, zo stelde Hugo Brems in een overzichtsartikel van de Nederlandse poëzie. In die zin was Zestig dus veel meer een uitbreiding, een radicalisering van een bepaald aspect dat ook al bij Vijftig voorhanden was, dan een daadwerkelijke verandering. Het ‘er is een lyriek die wij afschaffen’ werd: ‘wij schaffen lyriek af’, zo zou je kunnen zeggen. ‘Het lijkt niet onaannemelijk dat “Vijftig” zijn kracht dankte niet alleen aan een gelukkig samentreffen van talent, maar aan de wil met die poëzie iets uit te richten, vanuit een zeer bepaalde wereldbeschouwing’, zo stelde Kees Fens ooit in weer een ander overzichtsartikel, en hij vervolgde: ‘Het kan wel eens zijn dat de afwezigheid van zo’n wereldbeschouwing als drijvende kracht achter de poëzie, de wat geringe kracht van sommige stromingen in de poëzie verklaart’. Ik zou, met het oog op op Zestig, niet zozeer van de afwezigheid van een wereldbeschouwing willen spreken, maar veeleer van een overeenstemming in wereldbeschouwing met die van Vijftig. Zestig had geen radicaal andere visie op de werkelijkheid dan Vijftig maar zocht het in andere vormen en in het centraal stellen van de functie van poëzie binnen de maatschappij. Maar, zoals Ingeborg Bachmann het in 1959 in één van haar Frankfurter Vorlesungen formuleerde: ‘De werkelijkheid wordt alleen dan tegemoet getreden met een nieuwe taal, als er een omslag plaatsvindt op het gebied van de moraal of de kennis, en niet als men probeert de taal op zich nieuw te maken (…). Als er alleen maar met de taal wordt gemanipuleerd om haar een nieuwe indruk te laten maken, wreekt zij zich al spoedig en ontmaskert de opzet. Een nieuwe taal moet een nieuw geluid hebben, en dit geluid heeft ze alleen als ze door een nieuwe geest wordt bewoond.’
    Van zo’n ‘nieuwe geest’ is in de periode 1960-1990 geen sprake, en dus ook niet van een radicaal nieuwe poëzie. Men kan deze periode misschien nog het beste omschrijven als de voortzetting van de geest die met de Beweging van Vijftig pas werkelijk over de Nederlandse poëzie vaardig was geworden. Die ‘geest’, die wereldbeschouwing, werd tot uitdrukking gebracht in een grote verscheidenheid aan vormen, vormen die door de meeste dichters overigens zelf ook niet als nieuw of vernieuwend in literair-historische zin werden gepresenteerd.

    Like

  3. Beste Marc,
    Dat Joost Zwagerman dergelijke tactieken hanteerde, verbaast me natuurlijk niets. Ik zou zeggen: niets nieuws onder de zon en ik kan me ook herinneren dat een dichter als K. Michel er niet onverdeeld gelukkig mee was tot de Maximalen te worden gerekend.
    Waar ik wel zo mijn twijfels over heb is het feit dat er een algemene neiging in de literatuurkritiek bestaat te denken in bewegingen en generaties. Daar zit altijd een institutioneel, politiek aspect aan: zowel van schrijvers die zichzelf als zodanig afficheren alswel van de critici die de literatuurgeschiedenis op dergelijke wijze beschrijven. Interessanter is meestal wat daar dan achter steekt; jouw relaas geeft daarbij een inkijkje, hoewel je natuurlijk zelf één van de actoren was en bent. Vergelijk het verslag van Joris Luyendijk, “Je hebt het niet van mij…”, dat weliswaar over de Haagse politiek gaat,maar gelijksoortige processen beschrijft.
    Groet,
    Rijan.
    P.S: die Mazda 323 kan ik mij nog heel goed heugen – al was-ie in mijn herinnering blauw -, die had
    op reis van Amsterdan (Perdu) naar Groningen nog fataal kunnen zijn…

    Like

  4. Dag Rijan,
    Ik denk dat het enige aspect dat nog over is van het denken in bewegingen en generaties tegenwordig commercieel is. Het is op zich de dnamiek van de avantgardebewegingen: het scenario van de vadermoord, inderdaad met aan de zijde van de schrijvers de bedoeling binnen de literatuur ruimte te maken voor de eigen opvattingen. Of dat aan de zijde van de dagbladkritiek ook zo was… — ik heb mijn twijfels. Het denken in termen van ‘nieuw’, ‘nieuwer’, ‘nieuwst’ sluit ook aan bij een meer journalistieke manier van redeneren. Maar nog meer sluit het aan bij het marktdenken. In die context zitten we nu, en ik denk dat we daar eind jaren tachtig ook al in zaten. Toen zag ik dat zo overigens niet, maar ik denk de Maximalen wel. Hun optreden is in zekere zin een bewonderenswaardig staaltje van marketing — ze wisten in ieder geval de voor hun doelstellingen belangrijke pers zover te krijgen dat die hun poëzie van de romantische overmoed als iets nieuws percipieerde — nieuw in literair-historische zin dan ook nog. Dat was het niet, natuurlijk, maar dat deed toen eigenlijk al niet eens meer terzake.
    Intussen, nee Rijan, die klapband kregen we met een Fiat: een grijsgrauw exemplaar met één oranje deur en een versnellingsbak die op de meest ongelegen momenten weer in zijn vrij schoot. Die Mazda kostte me toen 250 gulden; die Fiat was al wat duurder: maar liefst 600 pegels! Kwaliteit meneer. Al luidde de slogan toen: ‘Fiat, roest al op de folder’.
    Groet,
    M.

    Like

Reacties zijn gesloten.