Het geluk van heimwee of de onmogelijkheid om Belg te zijn

Gisteren verscheen in De Morgen onderstaand stuk, oorspronkelijk, en in een uitgebreidere versie, geschreven voor een boek dat Beste buren heet en dat binnenkort bij uitgeverij Luster zal verschijnen. Dat de redactie van DM de titel — ‘Het geluk van heimwee of de onmogelijkheid Belg te zijn’ — veranderde in ‘Heimwee van een valse Belg’ was toch even slikken, moet ik zeggen. Ik zou mezelf namelijk niet als een valse Belg willen opvoeren, maar integendeel als iemand die zich wenst te engageren voor zijn nieuwe thuisland — een houding die minder vals is dan die van menig echte Belg, lijkt me toch.

Of het er iets mee te maken heeft, weet ik niet, maar gisterenmiddag belde mij al een Hollandse dame met de enthousiaste mededeling dat dit nou toch eindelijk eens een goed stuk was. Ze woonde al jaren en jaren in België, en nu had ze eindelijk gelezen wat ze al die tijd al wist: België deugt niet. De universiteiten waren hier absoluut slecht, leek haar, en integreren was hier beslist onmogelijk. Dat laatste valt inderdaad niet mee, in Vlaanderen toch niet, waar de eigenheimer de meest voorkomende aardappelsoort is. Maar het leek mij dat de dame in kwestie zelf onder integratie vooral verstond: aanpassing van de Vlamingen aan de Hollandse mores die ze blijkbaar nog steeds niet had weten af te schudden.

Voor mij kadert dit stuk in meer expliciete standpunten die recentelijk zijn ingenomen in het identiteitsdebat dat hier volop woedt. Een stuk van Dirk Van Bastelaere, van Erwin Mortier. Uiteindelijk tracht ik hier de nationalistische utopie van sommigen te herleiden tot heimwee naar de heimat — iets wat, zo begreep ik dan weer afgelopen weekend tijdens Mind the Book in Antwerpen, uiteindelijk de essentie van het utopisch denken uitmaakt. Op dat festival werd Utopisch alfabet gepresenteerd, een boek met ‘honderd toekomstvisies’ waarvan ook ik er een geschreven heb. Het geheel werd ingeleid door Stefan Hertmans die, voor de vuist weg, uit het blote hoofd, haast als een antieke redenaar utopie en ‘thuisverlangen’ (om een mooi woord van Jeroen Theunissen te gebruiken) in een boeiend betoog aan elkaar koppelde (en dat ook in zijn bijdrage aan het boek doet, trouwens).

9789085422495.jpg

Mijn stuk in DM zag er zo uit:

Op 9 oktober 2010 werd ik Belg. Het werd me meegedeeld in een brief die, aan de postdatum te zien, pas twee weken later was verstuurd. Zonder het te weten had ik al veertien dagen lang een andere nationaliteit. Ik was genaturaliseerd, al is dat woord misschien een beetje te zwaar voor wat het in aanleg voor mij alleen maar was: het inruilen van de ene voor de andere identiteitskaart. De reden voor die ruil was ook van louter pragmatische aard. Al sinds mijn verhuizing naar België betaal ik hier mijn belastingen en sociale bijdragen. Maar bij verkiezingen heb ik niet het recht om mee te beslissen over wat er met mijn belastingcenten wordt gedaan, een grove on-rechtvaardigheid naar aanleiding waarvan in het verleden elders al wel eens revo-luties zijn begonnen. No taxation without representation, zo had ik indachtig een van die revoluties al eens schertsend tegen een politica gezegd, en er meteen de vraag aan gekoppeld of men op Europees niveau de regels niet eens zou kunnen veranderen: dat je mag stemmen daar waar je je belastingen betaalt, ongeacht je nationaliteit. Had een dergelijke regeling bestaan, ik zou nooit op het idee zijn gekomen om Belg te worden.

Waarom eigenlijk niet? Omdat ik het niet ben. Omdat ik het ook nooit kan worden. Uiteraard behoor ook ik tot het weldenkende deel van de natie (welke dan ook maar) dat in overdreven nationalistische gevoelens vooral de primitieve neiging ziet om desnoods met geweld helderheid te creëren waar die in werkelijkheid niet bestaat en meestal ook niet wenselijk is. Toch heb ik me nooit een cultuurrelativistische kosmopoliet gevoeld, zoals een westerse intellectueel als ik aan het begin van de eenentwintigste eeuw bijna verplicht is van zichzelf te zeggen. Ik behoor weliswaar tot een generatie voor wie het relativeren van waarheden al aan het formuleren ervan voorafging — opgeleid als ik was door Mei ’68-ers die op ideologische gronden weigerden uit te leggen hoe de wereld in elkaar zat maar wel vonden dat je overal ‘krities’ over diende te zijn —  maar juist dat heeft gemaakt dat ik altijd op zoek ben geweest naar begrenzing. Geen ongevaarlijk sentiment, overigens. Voor je het weet val je toch nog voor het verkeerde soort eenduidigheid.

Mijn nationale identiteit was desondanks voor mij nooit een issue. Het is pas sinds ik in België woon dat ik begrijp dat nu juist dat een bij uitstek Nederlandse eigenaardigheid is. Als van oorsprong Nederlander weet ik beter dan welke Belg ook dat al te grove veralgemeniseringen van ‘de’ Nederlander de waarheid geweld aan doen, zoals mijn verblijf hier me heeft geleerd dat het gevaarlijk is om over ‘de’ Belg te spreken, of zelfs over enkel ‘de’ Vlaming.  Zelf heb ik altijd een onderscheid gemaakt tussen de Nederlander die ik ben en de spreekwoordelijke Hollander waar de Vlaming, al dan niet openlijk, zo’n hekel aan heeft. Wat hem aan die assertieve, bemoeizuchtige, arrogante kletskous tegenstaat, is precies wat mij — geboren in het oosten van het land — altijd heeft tegengestaan aan bewoners uit de Nederlandse Randstad. Want het is die verschijningsvorm van de Nederlander die (ten onrechte) model staat voor alle Nederlanders.

 Dat ik desalniettemin met precies die verschijningsvorm meer gemeen had dan ik zelf voor mogelijk hield, werd me pas duidelijk toen ik eenmaal in België woonde. Ik was opdringerig gezellig in het openbaar, sprak te luid in restaurants en hield me met ware doodsverachting keurig aan de verkeersregels terwijl ‘iedereen’ toch wist dat ze in die en die straat niet golden. Ik sprak agenten tegen en in discussies gaf ik blijk van een rechtlijnigheid die de meeste Belgen vreemd is, terwijl ik het gemarchandeer met principes dat hier ten lande de gewoonte is op mijn beurt onbegrijpelijk, en eigenlijk ook ongeoorloofd vond. Ik stuitte kortom overal op verschillen die mij definieerden als iemand die ik in mijn eigen ogen nog nooit was geweest: een Hollander, iemand met min of meer dezelfde taal, maar met een totaal andere cultuur. Ik liep aan tegen de grenzen van wat ik altijd als normaal had beschouwd.

Want dat is wat typisch Nederlands is: de eigen vooronderstellingen, waarheden en omgangsvormen als normaal beschouwen — zo normaal, dat het niet bij je opkomt dat het hier om hoogstens een Nederlandse normaliteit gaat. Het is waarom de Nederlandse identiteit voor een Nederlander nooit werkelijk een issue is (of misschien is het met het oog op de huidige ontwikkelingen beter om te zeggen: wás). Nederland is een consensusland, zo stelde de publicist Paul Scheffer ooit — en voor wie zich het sterk verzuilde Nederland van voor en direct na de Tweede Wereldoorlog nog herinnert, komt dat misschien toch een beetje als een verrassing: meer naast elkaar staande en streng van elkaar gescheiden gehouden waarheden waren er elders in de wereld toch nauwelijks te vinden, zo leek het. Maar ook voor diegenen die na de ontzuiling van de jaren zestig volwassen werden en in Nederland altijd een tolerante, open, en vooral vooruitstrevende natie van vrijgevochten individuen hebben gezien, lijkt consensus wel het laatste waaraan je bij Nederland denkt.

Toch, al die zuilen steunden uiteindelijk een en hetzelfde dak en het is niet voor niets dat men in het nu sterk naar rechts opgeschoven Nederland wil afrekenen met wat met het nodige venijn, maar sprekend genoeg ‘de linkse kerk’ uit de jaren zeventig, tachtig wordt genoemd. Juist die benaming laat mooi zien hoe de linkse mode uit de jaren zestig en zeventig — een haast wereldwijd fenomeen in die dagen — in Nederland een dwingend voorschrift werd voor iedereen, haast een kerkelijke leer, een dogma waaraan niet getornd mocht worden. En omdat de consensus heilig is, werden en worden de zaken die daar niet mee in overeenstemming zijn in Nederland gewoonlijk verzwegen.

Het consensusdenken heeft in ieder geval gemaakt dat Nederlanders zich niet zelden superieur gedragen ten opzichte van inwoners van andere landen waar het slechter geregeld zou zijn (‘Belgische toestanden’), of die een verleden hebben dat ze ten eeuwigen dage als voorbeeld ongeschikt maakt (‘de foute Duitser’). Zelf vinden ze dat niet superieur, maar normaal, dus ook: niks bijzonders, niet per se beter dan dat van anderen (hoogstens is het gedrag van anderen slechter), maar ‘gewoon’, wat ook betekent: zoals het hoort (als het al niet ‘zoals het ís’ betekent). De Nederlandse komiek Theo Maassen suggereerde ooit al dat de Nederlandse wapenspreuk niet ‘Je maintiendrai’ (ik zal handhaven) zou moeten luiden, maar ‘Doe ’s normaal, man!’

Het blijkt in ieder geval het eerste te zijn dat er uit mijn mond komt wanneer ik met de Belgische mores in het verkeer geconfronteerd word. Of met de onbeschofte houding van gezagdragers. Of met de serviliteit en kwezelachtigheid van veel Vlamingen. Met het katholieke gekuip dat je hier tot in zelfs de meest vrijzinnige milieus terugvindt. Of gewoon met de wijze waarop dit land staatkundig gesproken in elkaar steekt. Of met wat de Belg zelf wel zijn ‘surrealisme’ noemt.

En toch…

Toch zijn dit niet de belangrijkste redenen om te zeggen dat ik nooit werkelijk een Belg zou kunnen worden, nog even afgezien van de vraag wat een Belg precies is in de ogen van de Belgen zelf. De Belgische identiteit is immers, zeker in vergelijking met die van Nederland (hoe pluriform die in werkelijkheid ook is), onaf, rafelig en rommelig. De vraag is of wat ik als duidelijke verschillen ervaar en hier nu eens op een Belgisch dan weer op een Vlaams conto schuif, bij nadere beschouwing niet vooral verschillen tussen Nederland en enkel Vlaanderen betreffen — een politiek zwaar beladen kwestie. Maar waar het om gaat, is dat zelfs die verschillen niet beslissend zijn voor de vaststelling dat ik nooit Belg zou kunnen worden. Hoe concreet de verschijningsvormen ook zijn, het gaat hier uiteindelijk om abstracties en al te grote waarheden. Het zijn zaken die men met een klein beetje moeite kan begrijpen, die men kan herleiden tot de geschiedenis van beide landen bijvoorbeeld.

Maar de onmogelijkheid om ooit werkelijk een Belg te worden, heeft veel meer te maken met verschillen die niet te begrijpen zijn en die verband houden met iets wat tegelijkertijd vele malen groter en universeler als kleiner en particulierder is dan nationaliteit. Het heeft te maken met het gegeven dat België nooit het land zal zijn waarnaar ik heimwee zal kunnen hebben. Het is mijn thuisland, niet mijn moeder- of vaderland. En dan zeg ik het nog niet goed, want ‘land’ verwijst naar de bestaande landsgrenzen en daarmee naar abstracties als ‘de’ Nederlander en ‘de’ Belg.

Het gaat om heimat.

Het woord is niet goed te vertalen. Het heeft ook niet werkelijk een passend synoniem. ‘Geboortegrond’ komt in de buurt, maar beperkt het te veel tot een geografische plek. Het gaat om omgeving in de ruimste zin van het woord: dat is de plek, het landschap, maar ook de mensen, de specifieke gemeenschap waarbinnen je opgroeit. Het gaat om wat je te weten komt nog voordat je over taal beschikt, over wat je letterlijk met de paplepel is ingegoten en wat bepalend is voor je gevoel van vertrouwen, van geluk, van schoonheid en veiligheid — alles wat bepalend is bij de vorming van je identiteit. Taal dus ook, moedertaal, en dat in zijn kleinste nuances, in dat wat bij vertaling verloren gaat, zelfs als het daarbij gaat om een ‘vertaling’ van het Nederlands in het Vlaams en vice versa.

Het is kortom alles waarnaar je heimwee voelt op die momenten dat je de werking van de tijd aan den lijve ervaart, alles wat je verbindt met de plek waar die tijd is beginnen te lopen, ook al is er op zich niets wat je ertoe zou kunnen brengen naar die plek terug te keren om er opnieuw te gaan wonen (ik moet er niet aan denken!). Het gaat om wat je terugwijst naar wat niet (meer) bestaat, niet terugkomt, maar waaruit je desalniettemin bent opgetrokken. Het is dit:

Diepenheim

Soms kun je je, als je dat wilt, dit landschap zo te binnen brengen dat het wordt wat het altijd was: nooit deze weide waar je bent tussen koeien en gras, nooit die bosrand waar je staat tussen beuken — de rode —, tussen het blauw en het groen van de spar, nooit de hemel waaronder.

Het is dag of is nacht en altijd hoogzomer. Het vee in de schaduw onder de bomen, bij het schijnwerperlicht van een zoveel watts maan of een zon, hoest en herkauwt naar behoren.

En er kome wat kome: achter het rietgordijn, tussen neerhangende sluiers van bomen, in dit haast muisstil geritsel terwijde, wod ik, als ik dat wil, wat ik altijd al was: nooit deze weide, de koeien, het gras, nooit het rode van beuken, het groen van een spar, nooit het bedrieglijk echt blauw of inktzwart van een hemel.

Het is dag, het is nacht, het is altijd hoogzomer.

Dit is wat maakt dat ik nooit een Belg kan worden, ongeacht de identiteitskaart die ik op zak heb. Met wat vandaag in verhitte discussies ‘identiteit’ wordt genoemd, heeft het maar zijdelings te maken. In die discussies is het begrip veel sterker gebonden aan de actualiteit dan wordt voorgewend. Het staat nooit los van de politieke context en de daarmee verbonden maar vaak verzwegen doelstellingen waarin het wordt gebruikt. In die zin voel ik me als ‘inwijkeling’ (om toch nog aan die ‘Hollander’ te ontkomen) vrij om binnen de huidige discussies mijn eigen standpunt in te nemen. Want ik mag de wens om te kunnen stemmen hier in het begin dan hebben uitgedrukt op wat in de ogen van een Vlaming een typisch Hollandse manier is — als een centenkwestie — uiteindelijk gaat het hier ook om engagement voor een nieuw thuisland, om gemeenschapszin. En de gemeenschap die er toe doet, is de gemeenschap waar men in zijn eigen heden deel van uitmaakt. Dat is altijd meer dan een financiële of administratieve kwestie.

Maar het maakt geen Belg van me. Zoals mijn door langdurig verblijf in Vlaanderen al sterk veranderde taalgebruik geen enkele Vlaming om de tuin zal leiden: mijn vergeleken bij vroeger zoveel zachtere g, de min of meer Franse zinsmelodie in alles wat ik tegenwoordig zeg. Ik begrijp uiteindelijk nog steeds niet elke nuance in een zinnetje als ‘ik zie u graag’ en vrees nog steeds dat wanneer ik het tegenover een autochtoon gebruik, ik een onbetamelijk voorstel doe. Genaturaliseerd wordt men maar één keer. Wat rest is heimwee, of misschien zelfs melancholie — een vreemd soort droef geluk. Daarmee maakt men geen natie, al kan geen land zonder. Daarmee maakt men voor zo’n land onontbeerlijke literatuur, misschien.

Het gedicht schreef ik al jaren geleden voor een boek van John Heymans, en ook staan in deze tekst al zaken die ik eerder heb aangehaald, maar juist op dit moment, in de huidige context, waar het gebruik van het woord ‘Belg’, ‘Vlaming’ of ‘Waal’ op zich al voldoende is om een storm van verontwaardiging te ontketenen aan deze of gene zijde van het land, voegt het misschien toch nog iets toe.

screenshot_123.jpg