
Das Philosophenschiff van Michael Köhlmeier was het laatste boek dat ik in 2024 las, en pas het eerste dat ik van deze auteur lees. Het is het verhaal van de architecte Anouk Perleman-Jacob die op haar honderdste verjaardag aan de op die gelegenheid uitgenodigde schrijver vraagt of hij haar leven ‘als een roman’ vertellen wil. Ze heeft, zo zegt ze, het een en ander over de schrijver gehoord: ‘Sie haben einen guten Ruf als Schriftsteller, aber auch einen etwas windigen. Ich weiß, dass sie Dinge erfinden und dann behaupten, sie seien wahr.’ (U hebt een goede reputatie als schrijver, maar ook een enigszins twijfelachtige. Ik weet dat u dingen verzint en vervolgens beweert dat ze waar zijn.) Dat is meteen een leesaanwijzing, één die overbodig is voor wie eerder werk van Köhlmeier las (ik lees nu Zwei Herren am Strand, een boek uit 2014 dat inmiddels in het Nederlands is vertaald, waarin de auteur Charlie Chaplin en Winston Churchill gesprekken met elkaar laat voeren). Maar het is behalve een boodschap aan de lezer, binnen het verhaal zelf ook de reden waarom Anouk Perleman-Jacob wil dat de schrijver haar verhaal vertelt:
Sie sollen nicht meine Biografie schreiben, die ist bereits geschrieben worden. Zwei sogar. Eine auf Deutsch, eine auf Russisch. Beide nicht besonders. (…). Was niemand weiß, das sollen Sie schreiben, ein Schriftsteller, dem man nicht glaubt, was er schreibt. (…) Gesagt werden soll es. Und wenn es keiner glaubt, umso besser. Aber erzählt werden soll es.
[U moet niet mijn biografie schrijven, die is al geschreven. Twee zelfs. Eén in het Duits en één in het Russisch. Allebei niet bijzonder. (…) Wat niemand weet, dat moet u schrijven, een schrijver van wie men niet gelooft wat hij schrijft. (…) Het moet gezegd worden. En als niemand het gelooft, des te beter. Maar verteld moet het worden.]
Wat de architecte vervolgens vertelt, heeft vooral betrekking op wat er 86 jaar eerder in Rusland in 1922 gebeurde. De toen veertienjarige Anouk en haar ouders worden in dat jaar, samen met nog wat andere intellectuelen, door de bolsjewieken uit Rusland, uit Sint Petersburg, uitgewezen – dat wil zeggen: ze worden op een schip gezet richting Duitsland, meer precies: naar Stettin (nu Szczecin, in Polen). Deze zogenaamde ‘Philosophenschiffe’ hebben werkelijk bestaan. Onder andere de filosoof Nikolaj Berdjajev, de taalkundige Roman Jakobson en de schrijfster Nina Berberova werden op deze wijze uit Rusland verbannen. Intellectuelen blijken in tijden van politieke hoogspanning altijd een gevaar te vormen voor machthebbers die liever niet hebben dat iemand hen tegenspreekt. Dat de bolsjewieken ook andere methoden hadden én toepasten om tegenstanders de mond te snoeren, is bekend. Des te opmerkelijker dat ze voor een beperkt aantal onder hen werkkampen of standrechtelijke executie toch nog net een al te grof middel vonden – wat misschien verband hield met hun internationale bekendheid (iets wat hedentendage geen bescherming meer lijkt te bieden; zie o.a. Navalny). Maar misschien was het bestaan van die schepen zelf ook wel een anomalie in het bolsjewistische systeem.
Bij monde van de architecte wordt beschreven hoe het schip op een zeker moment meerdere dagen stilligt in de Baltische Zee. Niemand van de opvarenden weet waarom, zoals niemand in het toenmalige klimaat ooit wist wat er op de loer lag (men kreeg de mededeling dat men kort de tijd had zijn spullen te pakken, men mocht, als men daarover beschikte, een bepaalde som buitenlandse valuta meenemen, zo werd gezegd, maar aan de haven werden degenen die buitenlands geld bij zich hadden zonder pardon geëxecuteerd). Anouk gaat echter op onderzoek uit, verlaat ’s nachts stiekem haar kajuit in de derde klasse en verschaft zich via een ladder aan de buitenkant van het schip toegang tot het dek van de eerste klas. Daar zit een man in een rolstoel. Het blijkt Lenin te zijn.

De man die de filosofenschepen uitstuurde, is dus zelf aan boord van zo’n schip, als werd ook hij uitgewezen, uitgewezen door zichzelf als het ware, als was ook hij (voor zichzelf) een ongewenste intellectueel. Hij is het in ieder geval voor nog een nieuwe bezoeker die aan boord komt nadat het schip weer enige dagen stil heeft gelegen, een man met wie Anouk niet in contact komt, maar die ze wel met Lenin hoort spreken wanneer ze zich op het dek van de eerste klas verstopt heeft. En die man is Stalin.

Uiteraard gaat het hier allang niet meer om de weergave van de historische werkelijkheid. Als hier de architecte aan het woord is – en dat is de suggestie, al kan men daar natuurlijk door de eerdere opmerkingen over de schrijver niet zeker van zijn – dan had ze de schrijver helemaal niet nodig om haar verhaal te verzinnen. Dat Stalin aan het slot van zijn gesprek met Lenin de laatste met rolstoel en al in zee schuift, is zelfs enigszins kolderiek.
Het gesprek tussen Lenin en Stalin is dat echter allerminst. Stalin maakt Lenin duidelijk dat hij op het schip is gezet, omdat hij niet meer van nut is. Er valt niets toe te voegen aan wat hij ooit heeft gezegd of geschreven. Stalin verzekert hem dat hij over Lenin altijd zal spreken alsof hij een heilige was. ‘Und für vielen wird es klingen, als ob Sie ein Gott wären. Ich werde nur der Mittler sein’. (En voor velen zal het klinken alsof u een god bent. Ik zal slechts de bemiddelaar zijn.) Alles wat hij gezegd of geschreven heeft, zal bewaard blijven, en Stalin zelf zal zijn woorden aan de mensen uitleggen.
De kern van het betoog dat volgt, is dat de mensen niet zitten te wachten op heiligen en hun heilige motieven. ‘Du meinst, du hast genug Menschen um dich, die zu dir stehen’ zegt Stalin,
‘immer und bis zum Letzten, Männer und Frauen, die dir und deinen Gedanken treu sind. Du meinst, es sind viele, und es sind ja auch viele, aber es sind nicht alle, und wer nur viele hinter sich hat, der hat zu wenig. Und wenn es zehntausend sind, was ist mit den Millionen? Du dachtest, du könntest einen neuen Menschen erschaffen, und dachtest, nur weinige Hindernisse müsten beseitigt werden, bis der neue Mensch aus freien Stücken ein neuer Mensch wird. Du dachtest, jeder Mensch will frei sein, und wenn er es nicht will, dann ist er ein verführter, ein gedrückter Mensch. Wenn man ihm erklärt, dass er verführt worden ist und wer ihn drückt, dann wirft er freudig seine Ketten ab und verlässt seinen Kerker, der er bis dahin für sein Zuhause gehalten hat. Der Mensch will Freiheit. So hast du gedacht’.
[‘Je denkt dat je genoeg mensen om je heen hebt die achter je staan,’ zegt Stalin, ‘altijd en tot het laatst, mannen en vrouwen die trouw zijn aan jou en jouw ideeën. Je denkt dat het er veel zijn, en het zijn er inderdaad veel, maar het zijn ze niet allemaal, en wie alleen maar velen achter zich heeft, heeft te weinig. En zelfs al zijn het er tienduizend, wat betekent dat voor de miljoenen? Je dacht dat je een nieuwe mens kon scheppen, en dacht dat er maar enkele obstakels uit de weg geruimd moesten worden voordat de nieuwe mens uit vrije wil een nieuwe mens zou worden. Je dacht dat iedere mens vrij wil zijn, en als hij dat niet wil, dan is hij een misleid mens, een onderdrukte mens. Als je hem uitlegt dat hij misleid is en door wie hij wordt onderdrukt, dan werpt hij blij zijn ketenen af en verlaat hij zijn gevangenis, die hij tot dan toe voor zijn thuis hield. De mens wil vrijheid. Dat heb je gedacht.”]
Het is wat Stalin de mensen zal vertellen, maar met dit ene grote verschil: dat hij weet dat de miljoenen gewoonlijk over de betekenis van het woord vrijheid niet nadenken, dat ze hun vrijheid hoogstens wensen te gebruiken om niet over vrijheid na te moeten denken, om nergens over na te moeten denken. Het zijn de mensen die Lenin dom en onrijp noemt, zwak, onontwikkeld, arm en boosaardig, zonder manieren en zonder goede smaak, ordinair en verachtelijk.
‘Die Millionen haben für dich keine Bedeutung, sie sind nichts für dich, weil sie keine Stimme haben. Und wenn sie eine Stimme hätten, sagst du, könnten sie doch nicht sagen, was sie sagen wollen. Und wenn sie gar nichts sagen wollen? Gibt es sie dann nicht? Sie akzeptierten die Hölle und wurden so ein Teil von ihr, ebenso werden sie den Himmel akzeptieren, und wenn du sie nach dem Unterschied fragst, zucken sie nur mit der Schulter. Sie wollen jemanden, der für sie spricht. Du bist es nicht. Du warst es nie. Du wolltest es nicht sein’.
[‘De miljoenen betekenen niets voor je, ze zijn niets voor jou, omdat ze geen stem hebben. En als ze een stem zouden hebben, zeg je, zouden ze toch niet kunnen zeggen wat ze willen zeggen. En als ze helemaal niets willen zeggen? Bestaan ze dan niet? Ze accepteerden de hel en werden er zo een deel van, net zo goed zullen ze de hemel accepteren, en als je hen naar het verschil vraagt, halen ze alleen maar hun schouders op. Ze willen iemand die voor hen spreekt. Jij bent het niet. Je bent het nooit geweest. Je wilde het niet zijn.’]
Lenin heeft de mensen niet begrepen, heeft niet begrepen dat de mens kleiner en zwakker is dan hij hem heeft uitgedacht. ‘Die Millionen wollen genug zu essen haben, und sie wollen befreit sein von der Freiheit’ (De miljoenen willen genoeg te eten hebben, en ze willen bevrijd zijn van de vrijheid). Ze willen het slechte geweten niet, dat die vrijheid en het nadenken over vrijheid hen bezorgt. Ze willen zich niet meten met Lenins mensbeeld, waartegenover ze alleen maar tekort kunnen schieten.
Du sagst, sie leben wie die Tiere, unfrei und ohne zu wissen, wer sie selbst sind und was sie zustande bringen könnten, wenn sie nur wollten. Sie wollen aber nicht.
[Jij zegt dat ze als dieren leven, onvrij en zonder te weten wie ze zelf zijn en wat ze zouden kunnen bereiken als ze maar wilden. Ze willen echter niet.]
De vraag of wat we lezen historisch juist is, of de analyse die Stalin geeft toepasbaar is op hoe het toentertijd daadwerkelijk in Rusland was, inclusief de claim die hij maakt dat hij één van de miljoenen is, één van Lenins verachterlijken, niet welbespraakt, maar grofgebekt, en juist daardoor geliefd – het is op dit punt van het boek van minder belang dan de actualiteit van hetgeen hij hier zegt. Het blijft voor mij een raadsel waarom mensen voor bullebakken als Trump, idioten als Milei, schurken als Orbán, of voor fascistische tantes als Le Pen, Meloni of Weidel zouden kiezen, om over een misdadiger als Poetin maar te zwijgen. Waarom wordt een onbenul als Van Grieken onder Vlamingen zo gesmaakt? Wat is in hemelsnaam de aantrekkingskracht van een pierlala als Wilders? Hoe is het mogelijk dat ‘de’ mensen hun evidente leugens niet doorprikken? Hoe kan men in alle vrijheid kiezen voor misdadigers?
Omdat deze onverlaten de mens vrijstellen van elke verantwoordelijkheid, zegt Stalin in de roman. ‘Ich kann zuschlagen,’ zegt hij,
Und ich tu es aus freien Stücken. Es braucht mir niemand zu befehlen und niemand zu erklären. Ich kann es, weil ich es will, und ich will es, weil die Millionen mir ihre Fäuste leihen. Sie vertrauen mir ihre Fäuste und ihre Freiheit an. Die Freiheit bedeutet ihnen nichts, und vor ihren eigenen Fäusten fürchten sie sich. Ich nehme die Bürde ihre Freiheit auf mich. Und leihe mir als Gegenleistung ihre Fäuste. Und wenn ich die schrecklichsten Dinge tue, die Millionen werden mich darfür nicht verurteilen und nicht weniger lieben, denn ich tue es in ihrem Namen. Auch sie werden die schrecklichsten Dinge tun, aber sie werden dabei kein schlechtes Gewissen haben, denn sie tun es in meinen Namen. Wir tauschen unsere Namen. Das ist alles. Das Fußvolk stirbt gut. Und manchmal gern; Ein Mann zieht in die Schlacht, Tausende werden sterben, aber er klebt sich am Morgen noch ein Pflaster auf die kleine Wunde, die er sich beim Rasieren zugefügt hat. Das kannst du nicht begreifen. Du weißt nicht, wie süß es ist, klein zu sein, schwach zu sein, feige zu sein, faul zu sein, dumm zu sein, vertrauensvoll zu sein.
[“Ik kan toeslaan,” zegt Stalin. “En ik doe het uit vrije wil. Niemand hoeft mij iets te bevelen of uit te leggen. Ik kan het, omdat ik het wil, en ik wil het, omdat de miljoenen mij hun vuisten lenen. Ze vertrouwen mij hun vuisten en hun vrijheid toe. Vrijheid betekent niets voor hen, en ze zijn bang voor hun eigen vuisten. Ik neem de last van hun vrijheid op mij. En leen als tegenprestatie hun vuisten. En als ik de verschrikkelijkste dingen doe, zullen de miljoenen mij daarvoor niet veroordelen en niet minder liefhebben, want ik doe het in hun naam. Ook zij zullen de verschrikkelijkste dingen doen, maar zij zullen daarbij geen schuldgevoel hebben, want zij doen het in mijn naam. Wij ruilen onze namen. Dat is alles. Het voetvolk sterft goed. Soms zelfs graag. Een man trekt ten strijde, duizenden zullen sterven, maar hij plakt ’s ochtends nog een pleister op het kleine wondje dat hij heeft opgelopen tijdens het scheren. Dat kun jij niet begrijpen. Je weet niet hoe zoet het is om klein te zijn, zwak te zijn, laf te zijn, lui te zijn, dom te zijn, goedgelovig te zijn.”]
Het is door en door cynisch en het biedt weinig hoop voor wie blijft geloven dat een mens meer is dan de som van zijn laagste driften. Het reduceert elk streven tot een zaak van een beperkte elite die haar idealen hoogstens weet te verwezenlijken wanneer ze die, zoals Stalin in dit boek, ontrouw wordt. De uitkomst van het ideaal van de democratie, is de afschaffing ervan. We lijken, niet voor het eerst, weer op dat punt aangeland te zijn. Het ontslaat ons van elke eigen verantwoordelijkheid. We hoeven alleen maar te volgen.

Het maakt van Das Philosophenschiff ongemakkelijke, maar daarmee tegelijkertijd ook uiterst relevante literatuur. Ik gebruik het woordje ‘urgent’ niet graag wanneer het over boeken gaat, omdat in dat woord de complexiteit en veelkantigheid van een literair werk al op voorhand wordt gereduceerd tot één of twee op dat moment relevant bevonden, dringende kwesties. En in dit boek speelt meer dan alleen het desastreuze cynisme waaraan onze na de Tweede Wereldoorlog zo zorgvuldig opgebouwde democratieën nu ten onder dreigen te gaan. Ook het misschien in eerste instantie als louter literair begrepen spel met fictie en werkelijkheid spreekt hier nog een woordje mee. Maar dat Köhlmeiers boek in een van de (overigens altijd volstrekt zinloze) lijstjes die rond de jaarwisseling langskwamen, werd genoemd als een boek dat je in 2024 beslist gelezen moest hebben (en anders in 2025 unbedingt nog lezen moet) staat voor mij (ondanks de onzinnigheid van dergelijke lijstjes) wel vast. Het boek test de standvastigheid van een geloof dat ik er als notoir atheïst dan toch op na blijk te houden: het geloof in een mens die boven zichzelf uit wil stijgen. Ik hoop, bijna, bijna tegen beter weten in, dat ik daarmee niet met slechts enkele duizenden alleen sta tegenover miljoenen.
Een gedachte over “Duizend en miljoenen”