Debat (nu wel).

Gisterenavond op een wat moeilijk vindbare lokatie in Antwerpen een debat over de vraag of cultuur de media nog nodig heeft. Ik had al op voorhand bedacht dat het antwoord daarop ‘ja’ diende te luiden, in de verwachting dat er veel gepraat zou worden over sociale media, internet en wat dies meer zij — over initiatieven kortom die zouden aantonen dat cultuur de reguliere, de officiële media helemaal niet nodig heeft.

Als je ‘ja’ zegt op de centrale vraag, wordt het meteen ingewikkeld. Dat ‘ja’ loopt namelijk onmiddellijk uit op een klaagzang over hoe die media vandaag de dag functioneren. Wouter Hillaert van Rekto:verso had al vantevoren min of meer verboden om het daar nog maar eens over te hebben. Begrijpelijk. De deelnemers aan het debat zouden het waarschijnlijk met elkaar eens zijn op dit punt. En toch. Het feit dat een ‘nee’ op de centrale vraag onmiddellijk leidt tot de acceptatie van de deplorabele staat van de (cultuur)media lijkt mij al evenmin wenselijk.

Toch is dat waar het vooral op neerkwam als ik de deelnemers zo eens beluisterde. Eén van de alternatieven voor de media heette bijvoorbeeld ‘crowd-funding’ te zijn. Een goed idee. Je verzamelt een aantal mensen rond je die jou een bepaald bedrag geven zodat jij je kunst kunt maken en, zo denk ik dat de bedoeling is, ‘onafhankelijk’ kunt blijven. Maar binnen een dergelijk concept is de kunst die je maakt in de eerste plaats een product. Het neemt de neo-liberale logica volledig voor lief. Het klinkt heel alternatief en onafhankelijk, maar de claim op de openbaarheid is in dit concept opgegeven. Om het heel scherp te zeggen: kunst dient hier niet meer om de wereld te definiëren (te veranderen, te verbeteren, te… etc), maar is nog slechts bedoeld voor een kleine incrowd. Het is preken voor eigen parochie. Het accepteert de werkelijkheid zoals ze nu eenmaal is: neo-liberaal, kunst- en cultuurvijandig. Het komt uiteindelijk neer op ‘looking out for number one’.

Dat wil niet zeggen dat de kunst of literatuur die op die manier wordt gemaakt, ikgericht of solipsistisch of iets dergelijks zou zijn. Misschien claimt het werk nog steeds wel een zekere algemeengeldigheid, een bepaalde universaliteit (want waarom zou je anders een kunstwerk maken, een boek schrijven?), maar het geeft die claim tegelijkertijd op door de wijze waarop het zich van de openbare ruimte afkeert en de vermarkting ervan prioritair maakt.

Ik was veel te romantisch als ik dacht dat er nog zoiets als openbare ruimte bestond, zei iemand tegen mij. Dat wil ik niet eens ontkennen. Maar het tegendeel: dat degene die die ruimte opgeeft eigenlijk buitengewoon cynisch is, stuit op verontwaardiging of verwondering. Ik heb het zelf ook niet gemakkelijk met wat ik me gedwongen voel op een dergelijk moment te zeggen: dat we behoefte hebben aan autoriteit, dat het disparate alleen werkelijk een alternatief vormt wanneer het staat tegenover dat wat het niet is. Maar het dominante neoliberale discours is juist gebaat bij het incidentele, het verbrokkelde, het ‘individuele’ in de zin van het afzonderlijke, losse, onverbondene. Dat valt goed te vermarkten. En als sommige auteurs met een YouTube-channel die aan crowd-funding doen een succes krijgen dat groter is dan de 1000 of 2000 man die men nog wel eens wil bereiken langs deze weg, dan is het succes van die auteurs in de eerste plaats een commercieel succes — onafhankelijk van wat ze in en met hun werk te zeggen hebben en ook zonder dat die inhoud er feitelijk toe doet in een ander kader dan dat van de markt. De kans dat het dan door de reguliere media wordt opgepikt is op dat moment opeens ook een stuk groter, maar alweer: niet om wat het werk voorstaat maar om wat het opbrengt.

We moeten opnieuw leren burgers te worden, zo wil mij op een dergelijk momenten nog wel eens ontsnappen, en ik praat daarmee Tony Judt na, en Paul Verhaeghe ook. Dat terwijl kunst en literatuur zich zowat de hele vorige eeuw hebben gedefinieerd als juist het anti-burgelijke bij uitstek. Dat hele alternatieve circuit geeft daar nog steeds uitdrukking aan: de anti-burgerlijkheid, de gedachte dat negativiteit een waarmerk voor artisticiteit is. Alsof je afkeren op zich een garantie biedt. Juist als je ziet hoe dat binnen de officiële media steeds weer gerecupereerd is en wordt, zou je toch even moeten doen stilstaan bij een en ander.

Het lastige voor mijzelf is dat ik natuurlijk deel uitmaak van een traditie die kunst en literatuur op precies die (negatieve) wijze definieert: als kritisch bewustzijn ten opzichte van de heersende ideologie, als negatie van burgelijke normen en waarden, als de omverwerping van wat dan onmiddellijk overleefde overtuigingen heten te zijn. Het maakt dat ik soms twee dingen tegelijkertijd zou willen kunnen zeggen: dat het gaat om een claim op universaliteit juist omdat die niet bestaat. Het gevaar is dat je met dergelijke uitspraken in de hoek van de poëzie belandt — een prachtig genre, maar binnen de huidige openbare ruimte al op voorhand tot overbodigheid verdampte woordkramerij.