Literatuur en nostalgie

Gisteren in Leuven een eerste, zij het onvolledige testcase voor Het geluk van de kunst. Naast de presentatie van Toen David zijn stem verloor, een nieuwe graphic novel van Judith Vanistendael, en van Massa van Joost Vandecasteele, gingen Bas Heijne en ik nog met elkaar in gesprek over de toekomst van de literatuur. Het had eigenlijk de voorstelling moeten zijn van Heijne’s al wat langer geleden verschenen essay Echt zien, en van mijn Het geluk van de kunst. Dat laatste boek verschijnt pas 26 april. Ik had echter aan de organisatie en via de organisatie aan presentatrice Frieda Van Wijck de ‘persklaarversie’ doorgestuurd (de drukproef  wordt me deze week toegezonden). Ik hoopte op voorhand dat men een en ander niet zou aankondigen als ‘een debat’.

2955792146.jpg

Helaas. Het lijkt onmogelijk om twee auteurs op een podium gewoon een gesprek over iets te laten voeren. Er moet een tegenstelling zijn. Ook al is die er niet werkelijk. Maar omdat ergens achter de schermen besloten was dat die er toch moest zijn, werd ik meteen al geconfronteerd met een samenvatting van mijn standpunten die niets te maken had met wat ik had geschreven. Ik was, zo stelde men, wel erg nostalgisch aan het terugverlangen naar de jaren vijftig. Die heb ik nooit meegemaakt, zei ik nog, en dat het me niet om nostalgie ging. Ik bepleit een realisme waarmee men in literaire kringen niet uit de voeten kan, om mij begrijpelijke redenen overigens. Ik had namelijk ook liever dat het anders was.

9401-p.jpg  9789085423423.jpg 

Het uitstekende essay van Heijne wilde ik geen moment tegenspreken, maar waar het mij om ging, zei ik, is dat ook dat essay precies het soort marginaliteit vertegenwoordigt dat het lijkt te willen tegenspreken. Het wil het belang van de literatuur laten zien, maar het laat vooral zien hoezeer dat belang alleen nog in literaire kringen bestaat. Dat Heijne zich geroepen voelt om een essay te schrijven over literatuur in het mediatijdperk, heeft alles te maken met de marginalisering van die literatuur. Daartegen kom je niet effectief in het geweer door een pleidooi dat zich beroept op inzichten en waarden die alleen nog van tel zijn in precies die marge — hoezeer ik het dan ook volledig eens ben met wat hij schrijft. Als het om nostalgie gaat, kan dat essay van Heijne tellen. Het vertrouwt volledig op de gedeelde literaire cultuur, maar die wordt hoogstens gedeeld door hen die tot die cultuur, liever: die subcultuur behoren, en bereikt zo niet wat het eigenlijk wil bereiken. Het wil de bijzonderheid van literatuur verdedigen als een algemeen belang, maar het verdedigt hoogstens haar eigen bijzonderheid, een bijzonderheid die haar marginaliseert.

Natuurlijk heb ik voor dat alles ook geen oplossingen. Ik geloof alleen dat je de literatuur niet verdedigt door de literatuur te verdedigen, om het in een van lieverlede absurde zin te zeggen. Je kunt haar niet loskoppelen van de dominante ideologie waarbinnen die literatuur nu functioneert als wat ze in feite, buiten haar eigen normen en waarden om, simpelweg geworden is: koopwaar, deel van marktmechanismen die zich niets aantrekken van kwalitatieve en morele overwegingen die van oudsher binnen de literatuur (en binnen een door die literatuur voor een groot deel mede gedefinieerde cultuur) opgeld deden en die telkens weer worden gebruikt om haar belang aan te tonen.

Over dat spanningsveld gaat mijn boek, en dat had een aardig gesprek kunnen opleveren tussen Heijne en mijzelf. In plaats daarvan moest ik dus uitleggen dat ik niet nostalgisch terugverlangde, zoals de moderatrice op Joel De Ceullaer-achtige wijze voor het gemak, en om het blijkbaar noodzakelijke ‘debat’ op gang te trekken dan maar suggereerde. Die (journalistieke) noodzaak van een tegenstelling op het podium ging hier weer gemakkelijk voor op de toch ook journalistieke plicht om een beetje zorgvuldig te zijn en de uitgenodigde gasten toch op zijn minst juist samen te vatten. En dat was jammer.

Zoals het jammer was dat de klok op een zeker moment belangrijker bleek te zijn dan de literatuur. Joost Vandecasteele werd gewoon het woord ontnomen terwijl hij aan het voorlezen was. Waarom? Omdat het programma anders uitgelopen zou zijn? So what? Het publiek had nadien nog tijd genoeg voor een kop soep en een drankje. Het was toch een beetje alsof er tegen Joost werd gezegd: hou nou maar eens op met dat slappe gelul van je. Enfin, hij kent de media veel beter dan ik en leek het bijna normaal te vinden. Maar dan nog. Een literair ochtendprogramma in een zaaltje in Leuven hoeft toch niet op tv te lijken? Waarom dan dat format erop loslaten?

4000049318050.jpg

Wat me er aan doet denken. Iemand postte onderstaande op Facebook. Het komt van de Cobra-site. Let vooral eens op hoe Hugo Claus hier aan het eind van het interview zelf zegt dat het zo wel genoeg is geweest. En voor het overige: zo eenvoudig is het dus om een goed boekenprogramma te maken; kan zo hernomen worden; en kom me niet af met gelul over ‘talking heads’. Wel eens naar programma’s over voetbal gekeken? Waar vier of meer mensen eindeloos tegen elkaar aan zitten te zwetsen? Aan het format kan het dus niet liggen dat dit blijkbaar voor literatuurprogramma’s uit den boze is. Daarbij: dynamische cameravoering! Die twee cameramannen zijn minstens tien keer rond de tafel geslopen. En drie interviewers! Dat is nog eens een vondst! En Piet Piryns! Die is dus ooit jong geweest! Tiens. En de sigaretten! De drank! Alles wat ons oud maakt!

Aha! Het is dus toch nostalgie?

http://www.cobra.be/html/flash/common/embeddedVideoPlayer.swf