Over wetenschap en boekenprogramma’s

 

screenshot_22.jpg

Afgelopen zaterdag schreef journalist Joël De Ceulaer in De Standaard een essay waarin hij min of meer reageerde op (delen van) mijn kerstessay. ‘Kijk mama, zonder inhoud!’, heette het. Ik hoefde niet lang te lezen om te zien dat de bedoeling vooral was om te provoceren. Zo stelde hij de schrijver gelijk met vinkenzetters, kaatsfanaten en bloemschikinstructrices — en je hóórt hem bijna denken: daar zullen die schrijvers wel enorm van gaan steigeren. En verder vertoont zijn stuk alle kenmerken van een zich vergalopperende journalist die in zijn haast om te scoren slordig begint te denken.

Ik reageerde er vandaag op in de krant — enfin, toch op een deel van zijn stuk. De tegenstelling tussen wetenschapelijke ‘waarheid’ en literaire ‘fictie’ leek me er zo ver naast dat de enig mogelijke verklaring me leek te liggen in ’s mans minderwaardigheidscomplex tegenover het schrijvende deel van de natie — of misschien meer algemeen: tegenover de intellectueel. Je ziet dat wel vaker in tijden waarin economische crisis hand in hand gaat met de opkomst van populistische politieke partijen die de werkelijkheid graag eenvoudig voorstellen (dat laatste staat dan weer niet in mijn stuk):

 

screenshot_23.jpg

———————-

Het lijken wel schrijvers, die wetenschappers!

Wetenschap en literatuur staan niet lijnrecht tegenover elkaar, zoals Joël De Ceulaer beweert in zijn artikel ‘Kijk, mama, zonder inhoud’. Integendeel, zegt MARC REUGEBRINK, het ene kan niet zonder het andere. En dat ‘wetenschap’ samenvalt met ‘waarheid’, is regelrechte prietpraat.

‘Wetenschap maakt het complexe eenvoudig’, schrijft Joël De Ceulaer in ‘Kijk mama, zonder inhoud!’ (DS 7 januari). Wetenschap zou ons ‘een dieper inzicht in de werkelijkheid’ verschaffen, zelfs de waarheid over die werkelijkheid verkondigen. Van een journalist die blijkens zijn stuk uit is op het creëren van tegenstellingen die er geen zijn, kan men zoiets verwachten. Maar zou er een wetenschapper zijn die dit werkelijk voor zijn rekening wil nemen?

Ware wetenschappers houden over het algemeen te veel van de waarheid om zelfs maar te suggereren dat ze die in pacht hebben. Ze formuleren er theorieën over. Die theorieën dienen falsifieerbaar te zijn, willen ze het predikaat ‘wetenschappelijk’ krijgen. De Ceulaers waarheid is in wetenschappelijke kringen dus een theorie. Stel je voor: al lang voordat filosofen er een woord voor bedachten, bestond in wetenschapskringen het postmodernisme al. In die kringen is er dan ook de meeste opwinding als er dingen gebeuren die volgens de bestaande theorieën juist niet kunnen. Als er iets niet ‘waar’ blijkt te zijn. Als er deeltjes worden ontdekt die niet kunnen bestaan, bijvoorbeeld. Of deeltjes die sneller gaan dan het licht. Onmogelijk. Maar het gebeurt. Alles staat op de helling. Prachtig vinden ze dat. Dat is pas wetenschap. Een avontuur. Of hoe de veronderstelde eenvoud binnen de wetenschap altijd weer complex blijkt te zijn. Het lijken wel schrijvers, die wetenschappers!

Fundamentalistisch

De Ceulaer maakt in zijn stuk van wetenschap religie, het beste bewijs dat al zijn lectuur van de ‘non-fictie’ die hem moest helpen inzicht te verkrijgen in de ware werkelijkheid tevergeefs is geweest. En een beetje eng is het ook, zo’n journalist met haast fundamentalistische opvattingen. Straks gaat hij ook nog verkondigen dat journalisten als hij niets anders doen dan ‘objectief de waarheid vertellen’. Een journalist met ook maar een greintje integriteit zal altijd naar die objectiviteit streven, maar ook altijd weten hoever hij er noodgedwongen van verwijderd blijft.

In ieder geval is De Ceulaers onwelwillende samenvatting van mijn kerstessay (DS 26-29 december) erg gekleurd door zijn geloof, als het dat al is. Het ging in dat essay niet om de schrijver, maar om de cultuur die hij mede vertegenwoordigt. Uit het plezier dat De Ceulaer heeft in het afserveren van die schrijver, zou je kunnen opmaken dat hij lijdt aan een minderwaardigheidscomplex. Hij meent dat schrijvers zich beter voelen dan anderen, preciezer: beter dan hem. Dus zijn ze elitair. En dus moeten ze dringend een lesje in nederigheid krijgen. Dat is de reden waarom literatuur (ten onrechte versmald tot ‘fictie’) en wetenschap (ten onrechte gelijkgesteld aan ‘de waarheid’) hier tegenover elkaar worden gezet als betrof het een heuse tegenstelling. Zo kan hij onder het mom van die waarheid de schrijver nog wat fermer op zijn plaats zetten.

Maar er is natuurlijk helemaal geen tegenstelling. Sluit het feit dat verliefdheid een cocktail is van dopamine, fenylethylamine en oxytocine de waarheid van Romeo en Julia uit? Eros blijft de waarheid van de psyche, ondanks de chemie. Onze waarheid ligt in de chemie én in wat zij ons laat denken, de verhalen die zij ons laat vertellen. We kunnen niet zonder. Men kan natuurlijk een pilletje slikken om overal vanaf te zijn. Aldous Huxleys Brave new world (1932) gaat over het soort wereld dat je dan krijgt. Al is dat natuurlijk maar een roman.

De werkelijke elite

Maar buiten dat: een wetenschapper heeft voor het welslagen van zijn werk het creatieve denken van de literatuur en de kunst nodig om vooruit te komen, zo hebben wetenschappelijke onderzoeken aangetoond. En een schrijver staat niet los van de bevindingen van de wetenschap (Darwin, Einstein en anderen hebben in de literatuur ferme sporen nagelaten). Bovendien zijn het niet de schrijvers die vandaag de dag elitair genoemd kunnen worden. Het zijn de aan de leiband van de markt lopende media die uitmaken wie wel en wie geen toegang krijgt tot de publieke ruimte. En op welke manier. Dáár houdt de werkelijke elite zich momenteel op.

Waar het in het kerstessay intussen werkelijk om ging, was de wijze waarop in onze samenleving komaf wordt gemaakt met kennis en vaardigheden die onder andere noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van een democratie. Het ging om de (on)mogelijkheid om kritiek te leveren op de heersende ideologie. Het ging over de wijze waarop bijvoorbeeld De Ceulaers geliefde wetenschap gemuilkorfd wordt onder het mom van totale toepasbaarheid van alle kennis binnen een neoliberaal kader. Dat zijn kwesties waar zowel schrijvers als journalisten en nog anderen zich druk over zouden moeten maken. Niet omdat ze erboven of erbuiten staan. Een schrijver of journalist die dat gelooft, is niet goed bij zijn hoofd. Maar omdat de zich als objectief presenterende neoliberale realiteit geen boven of buiten meer toestaat.

———

 

De Ceulaer maakte in zijn stuk ook nog melding van het voornemen van Marc Coenen, netmanager van Canvas, om met een nieuw boekenprogramma te komen. ‘We gaan daar zeker iets voor ontwikkelen,’ zo citeert De Ceulaer hem, ‘en het mag voor mijn part lachen met boeken zijn’.

Natuurlijk. Liefst zelfs. Huilen met boeken zal het vast niet worden. Hoofdpijn met boeken verkoopt ook niet.

De Ceulaer gaat ervan uit dat de netmanager met dit voornemen tegemoet komt ‘aan het ongenoegen dat al jaren knaagt bij Vlaamse schrijvers en uitgevers’ over het uitblijven van zo’n programma. Het valt niet te ontkennen dat dat ongenoegen in die kringen inderdaad leeft. Je vraagt je wel eens af waarom we volgens de goeroes aan de Reyerslaan wél een uur of nog langer naar vier pratende hoofden kunnen kijken als het over voetbal gaat, maar niet wanneer het over iets anders, bijvoorbeeld over literatuur gaat. Sterker nog: als je vier hoofden bij elkaar zet die over literatuur praten, blijken die pratende hoofden ineens absoluut het verkeerde format voor welk tv-programma dan ook maar te zijn. Moet je op tv nooit doen, zomaar vier talking heads bij elkaar zetten. Spijtig voor een van de beste programma’s van Canvas op dit moment, ‘Reyers Laat’ (waar het gelukkig dan weer wél kan…)

Maar buiten dat, ik persoonlijk zit op zo’n ‘boekenprogramma’ op tv helemaal niet te wachten. Pogingen uit het verleden hebben laten zien dat men niet in staat is om het te maken. Men blijkt steeds in plaats van een boekenprogramma een tv-programma te hebben gemaakt. The medium is the message, schreef Marshall McLuhan al in de jaren zestig, en dat betekent in de eerste plaats dat televisie een werkelijkheid genereert waarbinnen er voor het boek als zodanig (een ander medium dat ook een andersoortige werkelijkheid creëert) eigenlijk helemaal geen plaats is. De zogenoemde boekenprograma’s die we geslaagd vinden, zijn dan ook in werkelijkheid programma’s over schrijvers — niet zozeer over literatuur. Van Dis op de Nederlandse VPRO in de jaren tachtig was buitengewoon aangenaam om naar te kijken, omdat de presentator meestal het werk als uitgangspunt nam voor een al dan niet diepgaand gesprek met de persoon (een gesprekje eigenlijk: meer dan 15 minuten duurden die gedachte-uitwisselingen niet) — maar ook in dat veelgeroemde boekenprogramma lag de focus bij de persoon van de auteur. ‘Zeeman met boeken’, een ander VPRO-programma, ging wél heel duidelijk over de boeken zelf, maar dat werd nooit zo populair als ‘Hier is Adriaan van Dis…’

Was dat wel zo geweest, dan zouden ze nu bij Canvas hun arme hoofden niet te hoeven breken over hoe je eens lekker kunt lachen met boeken. Of er nog andere dingen mee kunt ook. Er bestaat hier in Vlaanderen immers een mateloos populair boekenprogramma, Uitgelezen, een co-productie van De Vooruit en De Morgen, met Fien Sabbe als uitstekende frontvrouw, Jos Geysels en Anna Luyten als vaste waarden in een panel dat gewoonlijk wordt aangevuld met wat sprekende persoonlijkheden uit de wereld van de media — maar zelden of nooit met schrijvers (en als dat al gebeurt, zitten die daar niet voor zichzelf, maar voor de boeken die op het menu staan). In dat programma, dat hier in Gent maandelijks meerdere honderden bezoekers trekt en ook buiten Gent (in Antwerpen en Leuven, als ik me niet vergis) goed wordt bezocht, wordt soms wel eens gelachen met boeken. Er wordt ook serieus over gepraat. Lichtvoetig, soms wat oppervlakkig, maar nooit alléén maar lichtvoetig of oppervlakkig. Het is breed, maar het gaat wel degelijk over literatuur, en over datgene waarover literatuur gaat, vooral. Er is regie, er is présence — me dunkt dat ze bij Canvas alleen maar wat camera’s hoeven op te stellen en klaar is kees. Maar dan moet niet  een of andere ambitieuze regisseur of een bij het woord ‘literatuur’ tot angstige broekplasser verworden netmanager verlangen dat degenen die het programma maken zich aanpassen aan de eisen van het medium. Voor je het weet vragen ze van de gasten of ze tijdens hun verhaal even een handstand willen maken, omdat het anders zo statisch is allemaal. Gewoon cameralieden sturen die registreren wat er gebeurt.

Maar misschien moeten ze van dat programma ook maar gewoon met hun vingers afblijven. Het risico dat bemoeienis van tv-lieden het programma om zeep helpt, is niet denkbeeldig. En bovendien, de tv-kijker kan niet meedoen aan één van de aardige extra’s die het programma te bieden heeft: de tombola. In de pauze mag het publiek formuliertjes indienen die in een grote doorzichtige plastic kubus terecht komen. Daaruit wordt er een aantal getrokken. De winnaars krijgen één van de besproken boeken. Een feest, dat Uitgelezen — én een boekenprogramma.

 

2 gedachten over “Over wetenschap en boekenprogramma’s

  1. Geachte,
    Gelieve in bijlage een commentaar te willen aantreffen die ik op 8-1-12 toezond als lezersbrief aan De Standaard, en die tot heden ongepubliceerd bleef, gelukkig dat uzelf een reactie liet verschijnen aan het adres van die oen…)
    ByEbYe,
    JW
    INHOUD VERSUS SCHOONHEID?
    In het artikel Kijk mama, zonder inhoud! dat verscheen in DS-Weekend (7-1-12, blz.42-43) benadert Joël De Ceulaer het ‘bezit van inhoud’ op een nogal polariserende en toeëigenende wijze: wetenschappers versus schrijvers. Er kan zelfs gewag gemaakt worden van een kortzichtig misverstand omdat inhoud geen exclusiviteit is van de wetenschappelijke sector. (*) Er moet hierbij herinnerd worden dat kunst prioritair een kwestie is van schoonheid . Niemand anders die daar beter in is. Nochtans zijn er personen waaronder wetenschappers die overtuigd zijn van de schoonheid van hun berekeningen en uitvindingen. Einstein beweerde zelfs dat schoonheid zijn voorkeur genoot. Mijns inziens een foutieve inschatting, want het is onmogelijk de werkelijkheid te ondervragen en te onderzoeken en oplossingen aan te bieden, en tegelijkertijd vrijblijvende schoonheid voor te stellen. Dit terwijl kunstenaars altijd vrijblijvend creëren, is de reputatie van de wetenschappers nooit verworven met vrijblijvende concepten of resultaten. Maw. de nuttigheidsfactor bij wetenschappers heeft een praktischer impact. Daarom is er nog geen reden om dit aspect als inhoudelijker te beschouwen. Daarentegen is de houdbaarheidswaarde van kunst contradictorisch: tijd heeft geen vat op de kwaliteit van kunst, contra vernieuwingen staan ahw. onder constante druk om marktwaarde te kunnen verwerven. Wetenschappelijke ideeën,standpunten en uitvindingen kunnen niet heropgevoerd worden en zijn bijgevolg onveranderlijk tijdsgebonden fenomenen. (het is immers overbodig zijn kop te breken om het warm water nogmaals uit te vinden, of het wiel; bij kunstenaars liggen herhaling in een ander perspectief)
    Maw. een wetenschapper moet wel zijn klassiekers kennen en kan zich geen heruitvinding permitteren, daar waar kunstenaars vrij uit kunnen sampelen, interpreteren en parafraseren. Zij kunnen ook naar hartelust improviseren en ahw. zonder tijdsdruk creëren. Wetenschappers die een gelijk(w)aardige vrijheid wordt gegund zijn waarschijnlijk eerder uitzonderingen. Wetenschappers die beweren de waarheid in pacht te hebben en er niet in slagen die te verspreiden zijn eigenlijk hulpeloos aan zichzelf overgeleverd. Kunstenaars hebben nog altijd het voordeel (postuum?) (her-)ontdekt te worden, ook kunstenaars zonder publiek(-elijk succes) kunnen gewoon zelfbevredigend hun ding blijven doen.
    Tevens is de marktwaarde tussen wetenschappers en kunstenaars verschillend. Bij beeldende kunstenaars is dat evenvoudig de Top100-lijst van de best gekwoteerde kunstenaars, hetgeen niet noodzakelijk die kunstenaars zijn die innovatief en experimenteel werken.Dit is afwijkend bij wetenschappers waarvoor er geen Top100 bestaat (hun marktwaarde wordt waarschijnlijk op een andere manier verrekend…; toch niet naar rato van de grootste en de nieuwste waarheid te hebben gevonden?)
    Hetgeen wetenschap en kunst gemeen (moeten!) hebben is ambitie en zelfzekerheid, want naam maken en vermaard worden is essentieel. Degene die afhankelijk blijft van uitblijvende bestellingen of resultaten is aangewezen op het geduld vergelijkbaar op de eenzaamheid van de lange afstandloper waarbij de kunstenaar igv. twijfel of vergissing alleen op zichzelf en zijn eigen creativiteit kan terugvallen. De autonomie van een kunstenaar -onafgezien de discipline- is voorzeker een voordeel maar maakt hem wellicht kwetsbaarder voor commerciële toegevingen.
    Een mogelijke wetenschappelijke en artistieke verbondenheid is hun respectievelijke inhoudelijke kwaliteit die noodzakelijk anders is opgevat. Daarom is er nog geen reden om ze beide zodanig te polariseren waardoor er een publieke indruk en onbegrip zou kunnen ontstaan van vervreemding. Hetgeen niet waar is zolang ze beide aan vraagstelling voorrang geven, aan oppervlakkigheid beleeft niemand iets.
    Zeker is dat ze hun desgevallende ijdelheid gemeen hebben waarbij ze allebei overtuigd zijn de geniaalste uitvinding te hebben gedaan. Hetgeen niet belet dat slechte, onhandig gemaakte kunstwerken ook geniaal kunnen zijn (zie maar naar Kurt Schwitters, Edward Kienholz, Joseph Beuys, Paul McCarthy, Eugène Leroy, Herman Nitsch, Jonathan Meese)
    Niet al wat blinkt is schoon…! (en, niet al wat inhoud heeft is waar…!)
    En er wordt wel eens vergeten dat kunstenaars hun leven en hun kijk op de wereld anders inrichten dan wetenschappers. Kunstenaars cultiveren eerder authenticiteit en originaliteit, in de meeste disciplines schieten wetenschappers daarmee echter niet veel op. De sterkte van kunstenaars is hun streven naar onspelbaarheid waaruit ze schoonheid putten, wetenschappers moeten obligatoir zekerheid bereiken.
    Het waarheidsgehalte van kunst blijft overigens (terecht?) bedenkelijk, hetgeen Magritte duidelijk heeft gemaakt met zijn geschilderde pijp die er geen was!
    Verbeelding moeten ze allebei toepassen zoniet kunnen ze waarheid en schoonheid, alsook de daarbijhorende inhoud vergeten. Wie geen verbeelding heeft kan alleen de waarheid en de schoonheid van anderen herhalen en/of copiëren.
    In beide domeinen mag er niet veralgemeend worden, er is een onderscheid tussen soorten wetenschappers en soorten kunstenaars, een wiskundige is geen anthropoloog, en een beeldhouwer is geen schrijver.
    Het grootste verschil is de vordering van verbeelding: zijn de boeken, de schilderijen, de films van tegenwoordig beter dan vroeger? Daarentegen is wetenschap die niet verbeterd is gewoonweg nutteloos, maw. wetenschappers hebben de verplichting te verbeteren of minstens in perspectief te zetten. (en ze zijn daar zelfs in geslaagd, kunstenaars niet noodzakelijk)
    Wetenschap is ongetwijfeld altijd de belichaming geweest van vooruitgang en verbetering. Over die aspecten bestaan er inzake kunstaangelegenheden nogal wat misverstanden. Het aanbod dat in aanmerking komt als mogelijk artistieke onderwerpen is sterk toegekomen, maar veel is er kwalitatief niet veranderd.
    Beluitend: verwacht uit de mond, de pen, het penseel van een kunstenaar geen waarheid want zelfs als er een indruk is van waarheidsgetrouwheid dan is het aangewezen op zijn hoede te blijven. Er wordt zelfs beweerd dat de grootste kunst onbetrouwbaar blijft en gemaakt is door gespleten persoonlijkheden waarvan de bedoelingen niet automatisch slecht zijn, hetgeen niet altijd kan beweerd worden van wetenschappers (!) Een kunstenaar die zich vergist is geen drama, een wetenschapper daarentegen -zelfs met sommige ideeën en beweringen- kunnen aanleiding zijn voor catastrofes.
    Niet alle kunstdisciplines veroorzaken emotie en sentimentaliteit maar het grote verschil met wetenschap is een toestand van kippevel, maw. (visuele) verwondering in kunst is essentieel en uniek. Wetenschappelijke waarheid blijft een afstandelijk en abstract fenomeen dat iedere directe aantrekkelijkheid mist.
    Wat is prioritair in een mensenleven? Waarheid versus schoonheid? Of bij voorkeur allebei simultaan? Er is evenwel een gemeenschappelijke finaliteit waarbij de ene een schonere wereld betracht en de andere een betere.
    De beste benadering tussen beide sectoren is niets te monopoliseren, zonder daarom zijn eigen core business te moeten opgeven. Er zijn nu eenmaal wetenschapppers die niet vies van schoonheid in hun wetenschappelijk onderzoek, en kunstenaars die waarheidsgetrouwheid koppelen aan hun beeldend vermogen. Er zijn mogelijke gecombineerde gevallen. Maar laat dit duidelijk zijn dat niemand alleen waarheid en inhoud kan opeisen.
    En wat als de wetenschapper eens sprakeloos werd?… (weliswaar kunnen er urgente omstandigheden zijn dat zowel kunstenaars en wetenschappers niet (meer) kunnen zwijgen. Zwijgplicht (-recht) en spreekrecht (-plicht) zijn immers universeel, vooral in gevallen vanontegensprekelijk over zijn gelijk te beschikken.
    Wat was er eerst de waarheid of eerst de schoonheid? Wat was prioritair voor de eerste mens? Het antwoord is vanzelfsprekend. (kijk maar naar een kind) En wat zal prioritair zijn voor de laatste mens? Het antwoord is hier minder affirmatief.
    (*) Er kan altijd getwijfeld worden dat het gelijk-krijgen ergens in het midden ligt; wat nog niet beduidt dat de ene of de andere het grote gelijk moet opdringen. In het beste geval kan polemiseren leiden tot andere en betere inzichten (?)
    Jonas Wille, MFA/UA
    (ex-dir.BKO.KUNSTSCHOOL
    chief-con. A.Q.A.
    member IAA-AIAP-UNESCO)
    40, H.de Brouckèrelaan
    1160- Brussel
    http://www.jonaswille.be

    Like

  2. Na verdere reflectie zou er aan mijn commentaar INHOUD VERSUS SCHOONHEID? het volgende kunnen worden toegevoegd.
    Cineast David Fincher beweert dat films maken, mensen bedriegen is, maar dan wel op een artistieke manier. (dat is hetzelfde als toen Magritte zijn pijpvoorstelling schilderde maar anders geformuleerd) Boeken waarvan het waarheidsgehalte voldoende inhoud vertonen, – incl. tegelijkertijd door hun artistieke kwaliteit- getuigen van een onvergelijkbare schoonheid; hoe bedrieglijk schoonheid ook kan zijn.
    Een vaststelling: ik heb 1001 kunstwerken bekeken, beluisterd en gelezen, geen enkel heb ik begrepen; ik ervaar daarvan nochtans geen enkele hinder. Kunstenaars die menen de grote wereldproblematiek te moeten behandelen, voor te stellen -of erger op te lossen- zijn niet bezig met hun core-business, namelijk kunst. (de uitzonderingen niet meegeteld, enkele vb. Terrence Malick, Joseph Beuys, Pieter Bruegel, Jonathan Littell, Gabriel Marquez, Louis-Paul Boon, Umberto Eco, Lars von Trier, Stanley Kubrick, ea)
    Een kenmerk en een eigenschap van alle kunstdisciplines is afwezigheid van kwalitatieve en inhoudelijke chronologie. Wie daarentegen als wetenschapper zich niet kan schikken in een chronologisch-historische context betekent niets voor de (evolutie van de) wetenschap, en mist iedere inhoudelijke meerwaarde.
    In 1805 zegt kapitein Jack Aubrey tegen zijn schepenarts: Uw boeken verklaren niet alles (= juist, volledig akkoord)

    Like

Reacties zijn gesloten.