Dath & Lindgren

870_dath_dietmarLindgren pers

Natuurlijk vliegt Dietmar Dath in Waffenwetter uiteindelijk uit de bocht, en dat in een boek waarvan je bijna zeker weet dat dat nu juist de bedoeling is (waardoor er dus van ‘uit de bocht vliegen’ feitelijk geen sprake is). En bij ieder boek dat ik van Torgny Lindgren lees, denk ik steeds weer: waarom kreeg deze man de Nobelprijs nog niet? Omdat hij Zweed is? (Dat denk ik niet: er zijn al een stuk of zeven Zweedse winnaars). Het ultieme recept las ik recentelijk (het is uit 2002, vertaling 2005) en het is in al zijn — als je dat zo zeggen kunt — rijke kaalheid of kale rijkdom weer adembenemend.

Over fictie en werkelijkheid hebben wel meer schrijvers geschreven, bijvoorbeeld Cees Nooteboom, maar diens Een lied van schijn en wezen is naast dit boek van Lindgren stug, onhandig en een zelfs beetje kinderachtig in zijn ‘spielerei’. Of eerder: te weinig intelligent. Bernlef, geciteerd op het omslag, stelt: ‘Lindgren is de García Márquez van het Noorden’ — en daar valt wat voor te zeggen; maar zijn werk lijkt me meer verwant met dat van Pavese. Die zinnen. De haast mythische kracht die hij ze mee weet te geven. De suggestie dat je zowel iets precieus als juist iets robuusts aan het lezen bent.

Cover 2008.2

Fictie en werkelijkheid staan ook zeker op het menu van Dath. Een stuk ervan werd door Erik de Smedt vertaald in de laatste yang, nadat eerst al Inge Arteel ons, samen met nog ander nieuw Duits werk, de suggestie aan de hand deed. Ik twijfelde eerst wat. Dath schrijft zijn proza zonder hoofdletters (zij het wel met interpunctie) — en dus ook zonder de in het Duits gebruikelijke hoofdletters. Dat went snel, waardoor de vraag opkomt: waarom dan zo duidelijk tegen de regels zondigen? Datzelfde geldt voor de vaak merkwaardige afbrekingen in de grotendeels uit — op een geheimzinnige wijze genummerde — fragmenten opgebouwde hoofdstukken. Dat verraadt al op voorhand heel veel Bedoeling. Ook voor die afbrekingen geldt namelijk dat het snel went, al blijft het effect daarvan wél steeds werkzaam. Ik zou het zelf wat meer hebben gedoseerd, denk ik, en niet in vrijwel elk fragment hebben toegepast, maar de plotsklaps afgebroken zinnen (die men soms zelf moeiteloos kan aanvullen en die op andere momenten echt open blijven) hebben hier niet het ‘vervreemdingseffect’ dat je min of meer als bedoeling verwacht, maar helpen juist om je te identificeren met het hoofdpersonage: de negentienjarige Claudia Starik.

lispeeldriftHet maakt haar geloofwaardiger nog dan Juli Zehs Ada uit Speeldrift, al houdt die geloofwaardigheid meer verband met mijn eigen vooronderstellingen dan met de bedoelingen van de auteur, denk ik. Ik vind Claudia geloofwaardiger omdat ze zoekende is, terwijl Ada nooit meer loskomt van het spel waartoe alles is verworden, en daar ook niet werkelijk naar lijkt te verlangen. Ik ‘geloof’ Zehs personage dus daadwerkelijk niet — ongeveer zoals al het posthumanistische denken voor mij toch vooral theoretische constructie blijft: als zodanig boeiend, maar dat dan toch weer alleen als ik de praktische consequenties ervan er weer bij betrek en de onhoudbaarheid van dat denken meen te kunnen vaststellen, de… eh… ongeloofwaardigheid ervan.

Dat Dath vervolgens toch nog een grote, fantasmagorische deconstructie op touw zet waarin alles weer op de helling komt te staan en het hele boek begint… enfin: in míjn ogen begint af te glijden naar een soort fantasy, een vaag magisch-mythisch geheel waarin de genoemde Claudia onder andere zichzelf in twee andere gedaanten tegenkomt, — dat dus zijn boek ‘uit de bocht vliegt’, doet aan de kracht en ook niet zelden de humor van de eerste deel (157 van de in het totaal 288 bladzijden) niets af. En uiteraard is de ontsporing, zoals gezegd, geheel in lijn met wat het boek vertelt.

41916

Kort gezegd: Claudia Starik is een hoogintelligente scholiere, op het punt om af te studeren aan het gymnasium. Ze kan met haar eigen ouders niet goed overweg, verblijft veel bij haar grootvader, een oude communist die, ondanks het communisme, een fortuin heeft vergaard met de verkoop van dingen ‘die de mensen ook echt nodig hadden’. Hij is goed thuis in de marxistisch-leninistische leer en in de voorschriften van de communistische partij, zaken waarover hij het voortdurend met zijn kleindochter heeft. Maar hij is ook iemand die een samenzwering op het spoor lijkt te zijn aangaande een Amerikaans onderzoeksproject in Alaska dat HAARP heet.

hcWat dat precies allemaal inhoudt, weet ik zelfs na raadpleging van allerlei sites niet — in tegenstelling tot Dath, die ook van fysica het nodige schijnt af te weten — maar het komt er op neer dat de ionosfeer voorwerp van onderzoek is en dat men probeert om allerlei processen in die ionosfeer zowel te begrijpen als te simuleren en te controleren, bijvoorbeeld omdat ze van invloed zouden kunnen zijn op communicatie- en beveiligingssystemen. Het zal dat ‘controleren’ zijn, én het feit dat het hier niet gaat om een project van enkel wereldvreemde wetenschappers (een gevaar op zich trouwens), maar om een samenwerkingsverband van ‘United States Air Force, the Navy, the University of Alaska and Defense Advanced Research Projects Agency (DARPA)’, dat er rondom dit antennepark een macht aan samenzweringstheorieën is ontstaan. Die heeft Dath dus niet verzonnen; ze liggen voor het oprapen. De Amerikaanse regering zou dit project gebruiken voor klimaatcontrole en zou zo de tsunami in 2004 hebben veroorzaakt. Die kwam namelijk precies op het moment dat de getroffen landen in de regio enorme economische opgang maakten, begrijpt u wel? De aardbeving in Bam, in Iran — precies één jaar na die tsunami… Dat kan geen toeval zijn. Enzovoort enzoverder. Tot en met de suggestie dat HAARP in staat zou zijn om de denkprocessen van mensen te controleren.

Met name dat laatste komt Dath goed van pas. Het communisme, de bijbel, Shakespeare’s King Lear — het zijn maar een paar wereldvisies die in dit boek op de achtergrond spelen en die op de jonge Claudia hun invloed uitoefenen. Het zijn, net als HAARP, systemen die ons in een bepaalde richting dwingen en waaraan we nooit blijken te kunnen ontsnappen, die ons zus of zo definiëren als wie we (moeten) zijn. Wie denkt dat ‘onze’ Verlichting en de vrijhei
d van ‘ons’ individualisme (‘onze’ vrijheid dus) daaraan een einde heeft gemaakt, is roerend naïef. Iets wat Claudia met al haar intelligentie in zekere zin ook is. Niet omdat ze denkt erboven of -buiten te kunnen staan, maar omdat ze tussen al deze verschillende zingevingssystemen voelt te moeten kiezen. HAARP lijkt in dit verband op een zeker moment zelfs zoiets als een zingevingsmachine: als de ‘hoogfrequentegolfantennetralies’ die ons denken steeds weer in de richting van een ons definiërende Betekenis stuurt. De vernietiging van HAARP die aan het bepaald apocalyptische eind van het boek al dan niet plaatsvindt (helemaal duidelijk was me dat niet), maken van de door de autoriteiten opgejaagde Claudia dan ook zoiets als de ‘final girl’ — niet ongelijk Hegels ‘laatste mens’ wellicht. Maar als beeld voor een zekere onverzettelijkheid jegens de definities die ons door anderen wordt opgelegd, is het steeds dubbelzinnig. Staande tegenover zwaarbewapende lieden in helikopters, schrijft Claudia: ‘ich werde lernen, ich werd mitspielen, ich bin wie die männer in den hubschräubern oder ich werd wie sie, werd wie SIE, es ist einfach.’

Lindgren

Mooi aan deze benadering van de kwestie fictie-werkelijkheid vind ik de, overigens vanzelfsprekende gedachte dat werkelijkheid geproduceerd wordt, dat ze er niet zomaar is (en dan bijvoorbeeld in literatuur ‘weergegeven’ kan worden). En datzelfde doet ook Lindgren in Het ultieme recept, maar dan met een lichtheid en een fijnzinnige humor die van Dath ineens een wel heel erg serieuze radicaal maakt. Lindgrens boek begint met een brief die een hoofdredacteur van een krant aan een van zijn correspondenten schrijft. Die correspondent heeft jarenlang vanuit de uithoek van het land waar hij leeft berichten aan de krant gestuurd, en de hoofdredacteur is er nu achtergekomen dat ze van A tot Z verzonnen waren: ‘Het wekenlange dramatische gevecht om een eland uit het Höbäckmoeras te redden heeft nooit plaatsgevonden. Het schoolgebouw in Avaberg dat drie jaar geleden afbrandde, heeft nooit bestaan. Een vreemd hemellichaam “met schitterende corona” heeft zich nimmer boven uw horizon vertoond. Er is in uw omgeving nooit een kalkoenfokkerij geweest waar een berin heeft huisgehouden. Ook is er nooit een fabriek gesticht voor de productie van vitaminenhaarwater. Enzovoort. De personen die u geboren hebt laten worden, verjaardagen hebt laten vieren, huwelijken hebt laten aangaan en in sommige gevallen ook hebt laten overlijden, hebben nooit op aarde geleefd. Bij nader inzien komt het mij wonderlijk voor, om niet te zeggen opmerkelijk, dat u zelf bestaat.’

De reactie van de correspondent is opmerkelijk: hij houdt met schrijven op tot de hoofdredacteur overleden is, wat achteraf bezien ruim vijftig jaar duurt (waarna hij, inmiddels 107, weer begint te schrijven). Maar in gedachten antwoordt hij de hoofdredacteur wél, en in zijn antwoord vind je preciezer dan waar ook wat het hart uitmaakt van literatuur én van ‘onze’ werkelijkheid. ‘U schijnt te bedoelen dat mijn berichtjes en reportages zijn ontsproten aan mijn verbeelding en aan mijn begeerte naar lonende fantasieën’, schrijft hij.
’U stelt fantasie tegenover waarheid alsof die twee onverenigbaar zijn, ja, alsof ze met elkaar in strijd zouden zijn, alsof de fantasie niet een product van de werkelijkheid is. U schrijft over de waarheid alsof die een van uw vele eigendommen is, alsof u erover beschikt zoals u over de clichéafdeling, de zetterij en de drukpers beschikt. Simpel uitgedrukt: u hebt de wezenlijke aard van de waarheid niet begrepen. Sta mij toe de grote filosoof Bernard Bolzano te citeren:
De waarheid op zichzelf heeft geen werkelijk bestaan, dat wil zeggen is niet iets wat bestaat als iets werkelijks op welke plaats dan ook of op welk tijdstip dan ook of op welke andere manier dan ook. Weliswaar hebben bekende maar ook slechts gedachte waarheden een werkelijk bestaan in een bepaalde tijd in het bewustzijn van het denkende en wetende wezen. Zij bestaan namelijk als bepaalde gedachten die op een zeker tijdstip zijn opgetreden en op een ander tijdstip zijn opgehouden. De waarheden zelf die stof vormen voor deze gedachten, dus de waarheden op zichzelf, kan men echter geen bestaan toeschrijven.
(…) Een krant is een geestelijk verschijnsel. Al het geestelijke is individueel en werkzaam, simpelweg levend, het is bewustzijn en tegelijkertijd voorwerp van bewustzijn. Het bestaan van de geest is: zichzelf tot voorwerp hebben. De geest bestaat, zoals Kierkegaard zegt, dromend in de mens. Verantwoordelijkheid dragen voor een krant is verantwoordelijk zijn voor het geestelijke, het diep menselijke.’

Uiteraard vindt deze correspondent dat de hoofdredacteur die verantwoordelijkheid niet neemt. En uiteraard ben ik meteen op zoek gegaan naar die Bernard Bolzano — want in dit boek ben je je werkelijkheid niet zeker (maar hij bestaat wel degelijk) en elke zin waarin een bepaalde voorstelling van zaken wordt gegeven is van meet af aan met een waas van verzinsel omgeven. ‘De’ werkelijkheid lost op zoals de ingrediënten voor balkenbrij dat doen, een gerecht waarover het in dit boek veelvuldig gaat. Maar tegelijkertijd ontstaat zo ook een werkelijkheid die je niet meer af kunt serveren als ‘enkel maar een romanwerkelijkheid’ (hoezeer het dat tegelijkertijd ook is en blijft). In dat spanningsveld weet Lindgren ‘het’ leven op te roepen, ‘zoals het is’. Het opmerkelijkste van het boek vond ik namelijk dat zijn hoofdpersonen eigenlijk nooit fundamenteel twijfelen aan hun gelijk, ook al gebeurt dan het één en ander dat de personages niet hadden verwacht, zoals ze zeggen, en ook al zijn voor ‘ons’ veel van hun waarheden ronduit humoristisch (niet zelden gaat het om het equivalent van bakerpraatjes). Niet in die humor op zich, maar wel in de feitelijkheid die de werkelijkheid voor de romanpersonages heeft, zag ik de link met Pavese, waarin de wereld ook altijd dat kant en klare heeft, dat onwrikbare ‘zo is het’ dat voortkomt uit juist het loslaten van de kant-en-klare definities die voorhanden zijn. Er is geen strijd met de dominante werkelijkheidsopvatting omdat die op voorhand als ook maar een verzinsel is geklassificeerd. Bij grote auteurs levert dat nooit ‘bevrijding’ op, maar gewoonweg een nieuwe, een andere werkelijkheid die evenzeer als die van de krant aanspraak maakt op geldigheid.

Een gedachte over “Dath & Lindgren

  1. Knappe analyse, Marc. Net als jij hebben me de SF-allures van het 2e deel bevreemd. Een ‘kloon-verhaal’, maar dan toch veel hallucinanter dan Stefan Brijs’ oubakken ‘De engelenmaker’. Claudia wordt aan het slot gedwongen te kiezen: wiens partij kiest ze – waarbij mij intrigeert wie er met SIE bedoeld wordt. D.i. degene (als je Daths nawoord mag geloven) met wie ze de hele roman door een dialoog voert. Dat laastste aspect, het sterk de indruk wekken van gesproken taal (ook merkbaar aan de slangachtige woordenschat), verklaart m.i. de ‘Kleinschreibung’. Ze heeft een lange traditie in Duitsland, onderbroken door de pathetische barok, maar ook de gebroeders Grimm waren er voorstander van. Waarom zou je een kunstmatige hiërarchie aanbrengen ten gunste van een bepaalde woordsoort (het substantief)? Uitgerekend in dit stromende, anti-hiërarchische proza is het effectvol dat het proces(dennken) het haald op het product. Vandaar ook de zinnen die afbreken en de lezer het proces laten voortzetten. Verder signaliseert de Kleinschreibung natuurlijk een anarchistische-respectloze houding t.o. literaire tradities; vandaar dat ze ook gehanteerd werd in het Bauhaus, door de Wiener Gruppe en door de jonge Elfriede Jelinek.

    Like

Reacties zijn gesloten.