Parafernalia

Hoe het werkt: ineens krijgt men dan een uitnodiging om aanwezig te zijn op het boekenbal in de Stadsschouwburg van Amsterdam. De laatste en enige keer dat ik daar was, was in 1988. Er staat nog ergens een glas in mijn kast dat je kreeg bij vertrek. Een groot glas. Iets voor een Leffe. Of een Grimbergen. Of een Hommelbier — de gevreesde drank uit Watou, het kunstdorp aan de Schreve. Sindsdien achtte(n) mijn uitgever(s) mij niet geschikt als kandidaat voor een van de door het CPNB toegestuurde kaartjes — als het zo al gaat. Hoe dan ook: geheel naar gewoonte vergat ik om de antwoordkaart zelfs maar in te vullen, terwijl die toch ook de mogelijkheid openliet om in te vullen dat ik niet zou komen omdat ik die dag ‘iets anders’ deed. Een wat vreemde optie, overigens. Bijna alsof je kon invullen: ‘Nee, ik kom niet, ik heb die dag wat beters te doen.’

IMG_0475

Ik heb die dag niet per se iets beters te doen, vermoed ik (ik stel werken niet in absolute zin boven ontspanning en er zijn weken dat ik voor het omgekeerde moet waken), maar deze vlootschouw van de literatuur heeft voor mij toch alleen zin wanneer ik vermoed er mensen te zullen tegenkomen met wie ik nog iets anders gemeenschappelijk heb dan het feit dat er literatuur wordt gefabriceerd. Op het Amsterdamse boekenbal zou ik me al snel een party crasher voelen — iemand die over de afrastering klom om ‘er bij’ te zijn, hoewel hij er nauwelijks mensen kent. Terwijl dergelijke samenscholingen alleen interessant worden wanneer de aanleiding er niet meer toe doet — of liever: wanneer elke aanleiding goed genoeg is om ergens samen te scholen. In die zin zegt een ‘boekenbal populaire’ in Antwerpen me meer dan een boekenbal in Amsterdam dat enkel genodigden toelaat. Niet zozeer vanwege het deurbeleid zelf, maar gewoon omdat ik inmiddels in Antwerpen meer mensen tegenkom met wie ik iets gemeenschappelijks heb. De Antwerpse boekenbeurs is natuurlijk op zichzelf genomen een bezoeking, maar van de opening moet ik toch ongeveer met nog minstens een halve fles in de ene en een bevingerd glas in de andere hand weggesleept worden, graaiend naar de laatste hapjes op vettig ogende schalen. Spijt volgt pas de volgende dag, als zelfs de Alka Selzer het laat afweten.

Intussen vroeg radio 1 (voor het programma Moshi, op zondag 16 maart) mij om drie songs op te geven die iets over het boek (waarvan net de tweede druk verscheen (én, binnenkort, een e-bookversie beschikbaar zal zijn)) en over mijzelf zeiden. Dat gaat linea recta richting een puur autobiografische lezing van een en ander, zo lijkt het. Nu was het opgeven van drie nummers niet zo’n probleem; in het boek zelf staat een soundtrack immers, maar toch koos ik minstens twee nummers die me in staat stelden om het autobiografische weer in de richting van het meer algemene, bovenpersoonlijke te sturen. Ik heb de afgelopen weken al moeten antwoorden op prangende vragen van iemand die ergens in Nederland naar aanleiding van mijn boek op haar seksuele mores werd aangesproken (in de sfeer van de vette knipogen). Terwijl zij op geen enkele manier ‘model’ gestaan heeft voor iemand in het boek zelf. Mensen die zo lezen, kunnen alleen maar vaststellen dat ik een leugenaar ben, al gelooft merkwaardig genoeg dan weer niemand dat. De literatuur wordt met de dag ingewikkelder.

Datzelfde radio 1 bezocht in de gedaante van een interviewster ook nog JT, met het verzoek iets over mijn persoon te lossen. De arme jongen had alleen ontstellend brave dingen over mij te melden. Nee, geen drugs. Geen drankprobleem. Vrouw en kind. Ja, hij heeft een auto ja, een nette Citroën of zoiets. Het leidde, schreef hij me, tot pijnlijke stiltes. Totdat hij dan maar gezegd had: ‘Het boek begint met een seksscène’. Waarna het gesprek toch nog wat was losgekomen. Benieuwd waar dat precies voor is. Straks is het een item in datzelfde programma waarin ik plaatjes mag draaien.

Intussen jaagt Martin Walser mij de stuipen op het lijf. Een paar heel fijne citaten uit zijn Dood van een criticus:

‘Nu ter zake. De intellectuelen hoereren vandaag de dag net zo met de openbaarheid als voorheen met God. Wie dat voor een verwijt houdt, die weet niet wat God was en wat de openbaarheid is.’

Hopla.
En bij wijze van extra waarschuwing:

‘Weet u, u kunt iedere schrijver beoordelen naar de wijze waarop hij in het openbaar optreedt.’

Dat laatste is een opluchting, al is het dan de dood in de pot voor de boekhandelaar. Het scheelt eindeloos veel lezen. En het moet gezegd: ik heb al een paar interviews achter de rug waarin de slotzin van de interviewer een monter: ‘dank u wel, ik zal het boek zeker gaan lezen’ was.