Hoe relevant moet je zijn?

Uit Duitsland komt het bericht dat de toentertijd zo riant door de regering Merkel uitgedeelde Corona-Hilfe voor kunstenaars allerhande blijkbaar massaal en integraal wordt teruggevorderd door de regering Merz. Ik kreeg het destijds bepaald warm van de toespraak die Merkel in volle coronatijd op tv hield over het immense belang van cultuur voor de samenleving, hoe zonder cultuur die samenleving haar ruggengraat mist. Maar een paar jaar later blijkt de nieuwe kanselier – nochtans van dezelfde politieke partij – dat belang toch als uiterst voorwaardelijk begrepen te hebben. Nu behoorde Friedrich Merz altijd al tot de wat minder fris ruikende vleugel van de CDU/CSU, de vleugel waar samenwerking met de fascisten van de AfD altijd maar op het nippertje niet doorgaat, maar waar er wel vaak geflirt wordt met extreemrechts gedachtengoed. Bovendien loopt de man zichtbaar over van ressentiment omdat Merkel hem voortdurend buitenspel zette toen zij nog de lakens uitdeelde. Friedrich wil zijn gram halen. Nu is het ver van mij om ‘Mutti Merkel’ op te hemelen, maar als de kanselier dan toch uit haar partij moet komen, dan liever iemand uit haar hoek dan deze Friedrich Merz. Met hem zijn we weer helemaal terug bij het neo-liberalisme in zijn meest rigide vorm. Dat erkent geen kunst, dat erkent alleen ondernemers.

En dus zitten mijn vrienden in Berlijn – die voor hun inkomen grotendeels afhankelijk zijn van optredens – met een fikse rekening omdat ze ten tijde van corona, vanwege de onmogelijkheid om op te treden, geld kregen om van te leven. Hadden ze maar niet moeten doen wat ze doen; hadden ze maar geen acteurs moeten zijn, acteurs dan ook nog, die niet aan een of ander theatergezelschap verbonden zijn – al spelen beiden soms om den brode wel eens mee in grotere producties, dat wil zeggen in (meestal kluchtige) toneelstukken die ze eigenlijk niet de moeite waard vinden –, maar hun eigen materiaal maken en daarmee een veelal klein publiek bereiken. Die projecten worden gesubsidieerd, maar ook op dat vlak wordt het moeilijker en moeilijker.

Foto’s: Thorsten Wulff

Dat laatste niet alleen maar door de neo-liberale gesel, de pletwals van de ‘vrije markt’ die artistieke vrijheid (maar eigenlijk alle vrijheid) aan de voorwaarde van de verkoopbaarheid bindt en zo feitelijk zo goed als onmogelijk maakt. Het gaat daarbij eigenlijk om een geraffineerde vorm van censuur, vind ik altijd. Maar het is niet het enige wat het verkrijgen van subsidie bemoeilijkt. In de diverse beoordelingscommissies worden namelijk al langere tijd andere dan louter artistieke criteria gehanteerd, een euvel dat zich overigens ook in onze contreien voordoet.

In RektoVerso buigt Michiel Vandevelde zich over het begrip ‘artistieke relevantie’, dat in kringen van programmatoren en beoordelingscommissies steeds vaker blijkt op te duiken. Wat ‘relevant’ zou zijn, en derhalve voor programmering en/of subsidie in aanmerking komt, lijkt vaak weinig te maken te hebben met aandacht voor de intrinsieke waarde van de kunst die beoordeeld wordt. ‘Relevantie’ is net als ‘nut’ of ‘efficiëntie’ volledig afhankelijk van de context waarbinnen zij wordt vastgesteld, van de vooronderstellingen die een dergelijke context definiëren. Het doet een beetje denken aan de critici die om de zoveel tijd van de literatuur ‘straatrumoer’ of iets dergelijks eisen, of die met een aan verwatenheid grenzende zekerheid menen vast te kunnen stellen dat een bepaalde roman niet ‘urgent’ zou zijn. Dat daarbij niet zelden de agenda van de journalistiek het richtsnoer vormt, lijkt men zich nauwelijks bewust te zijn (maar als je als auteur vandaag de dag níét over Gaza schrijft, ben je op zijn minst ‘wereldvreemd’ of iets dergelijks; en wie er wél over schrijft doet dat maar beter op de ‘juiste’ wijze). En dan zwijg ik nog over commissieleden die een bepaalde vorm van politieke correctheid willen opleggen als voorwaarde voor de toekenning van subsidies. Dat een eenmaal gemaakt werk door sommigen langs een morele, politieke of nog andere meetlat wordt gelegd, lijkt me onvermijdelijk, en meestal wanneer dat gebeurt, kun je vrij eenvoudig laten zien dat de betreffende recensent het werk dat hij beoordeelt tot maar één of twee zaken heeft gereduceerd. Maar wie dat als subsidiegever doet, schrijft voor wat er gemaakt moet worden – de natte droom van nationalisten die het liefst zagen dat kunstenaars de door hen gedefinieerde Leitkultur zouden volgen, maar inmiddels dus ook van de volgens sommigen uitsluitend linkse cultuursector zelf die voorschrijft wat er relevant en correct zou zijn. Het schrijven van een subsidiedossier is inmiddels een kunst op zich geworden die door sommige subsidiërende instanties inmiddels belangrijker gevonden wordt dan de kunst die wordt gemaakt.

Als het over de eis van artistieke relevantie gaat, schrijft Vandevelde:

Ik pleit ervoor dat kunstenaars niet moeten aantonen hoe hun project relevant is voor het veld, maar wel hoe het in de eerste plaats relevant is voor de kunstenaar zelf, voor de eigen artistieke praktijk. Tenslotte zit er niemand op jou te wachten − een pijnlijke vaststelling aan het begin van het kunstenaarschap, en vaak ook gedurende de hele carrière. De opdracht is dus je eigen relevantie te creëren. Die ontstaat niet door de goedkeuring van commissies of programmatoren, maar door de moed te hebben in jezelf te geloven. Pas daarna kunnen anderen beoordelen of die intrinsieke motivatie voor anderen voldoende urgentie en diepgang bezit.

Veel anders zit er inderdaad niet op, al klinkt dat tegelijkertijd te defaitistisch. ‘Je eigen relevantie creëren’ is alleen zinvol als die relevantie vervolgens door anderen, noem het ‘de’ gemeenschap (hoe je die verder ook invult), ook als zodanig wordt erkend. Vandevelde geeft al aan dat zulks voor sommige kunstenaars eenvoudigweg nooit gebeurt. Het artistiek klimaat, dat als gezegd altijd voor een groot deel bepaald wordt door de waan van de dag en door een veeleer journalistieke dan artistieke agenda (‘poëticale’ discussies over literatuur, kunst e.d. vind je eigenlijk nergens meer), scheidt bokken van schapen op dit punt, om over het sociale aspect van kunst nog maar te zwijgen (men moet er wel ‘bij willen horen’, en wie dat niet wil, wordt dat alleen vergeven als zijn of haar aberrante gedrag uiteindelijk toch lijkt te passen binnen een beeld dat voor iedereen in de groep min of meer vleiend kan zijn: dat van de tegendraadse held of heldin, een durfal die tegen de conventies ingaat). Voor zover het gaat over de receptie van kunst en aanverwanten is dat tot daaraan toe – hoe schriel en ontoereikend veel recensies ook zijn. Je mag hopen dat men met het verstrijken van de tijd nog tot andere inzichten komt dan wat de waan van de dag hier en nu oplevert. Maar als het gaat om het maken van kunst, mag wat vandaag toevallig relevant wordt gevonden (Gaza wel, de smaak van roomijs in de lente van 1963 niet) geen rol van betekenis spelen.

Plaats een reactie