De dag die datum werd

Ernalien Reugebrink 17 oktober 1958 – 19 april 1994

Dat ze dood is – dat komt elk jaar terug. In de nacht van 19 april 1994 reed ze van Zutphen naar Deventer, van vrienden naar huis. Dat is dertig jaar geleden vandaag. Een dag die een datum werd. Ze was vermoeid, zeiden de vrienden achteraf. Ze had die dag een kleine vergroeiing op haar ooglid laten verwijderen. Ik weet niet in hoeverre en eventueel op welke wijze dat werd verdoofd, maar het kan van invloed zijn geweest op wat gebeurde.

Bij de oprit naar de A1 was er toentertijd een stoplicht. Er stond één auto achter haar, die net als zij, naar rechts, de A1 op wilde. Toen het licht op groen sprong, draaide ze rechtsaf, en trok op. Ze had altijd al een pittige rijstijl. Ze was een uitstekende chauffeuse, misschien af en toe zelfs wat al te onverschrokken. Ze trok op en maakte meteen veel snelheid, zo meldde de bestuurder achter haar later. De getuige.

De oprit naar de A1 bij Gorssel loopt licht omhoog en heeft halverwege een flauwe bocht naar links, geen bocht die je makkelijk mist of waarvoor je snelheid zou moeten terugnemen. Het was een oprit. De bedoeling van zo’n oprit is dat je snelheid maakt, een snelheid bereikt die ongeveer overeenkomt met die van het verkeer op de snelweg waarop je wilt invoegen.

Ze nam de bocht niet.

Er is niet geremd, zei de getuige. Geen remlichten.

Ze nam de bocht niet. Ze reed met hoge snelheid rechtdoor, de weg af. Die licht oplopende weg werd op dat moment een springplank. Ze kwam los. Ze kwam los en de auto begon te draaien, in volle vlucht draaide hij en landde op zijn dak. Ze was op slag dood.

Misschien heeft ze het zelf niet meegemaakt. Misschien werd ze onwel achter het stuur. We weten het niet. De dag na de nacht waren we geen van allen in staat om iets anders te doen dan bij elkaar zitten. Misschien hadden we om een autopsie moeten vragen. Daar is voorgoed van afgezien.

Ik ben ooit naar die afslag toegereden. Heb er wat staan kijken, mijn auto in de berm. En nu nog, de zeldzame keren dat ik via de A1 oostwaarts rij en langs de plek kom… De plek. De plek is de datum, welke dag het ook is.

Ik heb er een boek over geschreven, tien jaar na haar dood: Touchdown (2004). Het is een roman waarin het hoofdpersonage – als kind bezeten door ruimtevaart, door het Apollo-programma van de NASA en de maanlanding – ’s nachts telefoon krijgt en hoort dat zijn zus is overleden. Hij stapt in zijn auto en gaat op weg naar de plek waar zij om het leven kwam. Hij arriveert er in de ochtend. Hij wil wat hij haar ‘lancering’ noemt overdoen, maar dan wél met een goede landing, in de vage en absurde hoop dat hij haar op die manier alsnog zou kunnen redden.

In feite combineert Touchdown twee zaken: het ongeluk en die andere rit die ik na het nachtelijke telefoontje maakte: de volgende ochtend reed ik naar mijn moeder die nietsvermoedend en toen nog zonder gsm in haar stacaravan verbleef en dus ’s nachts niet bereikbaar was geweest, om haar te vertellen dat haar dochter, mijn zusje, mijn grote zus, dood was. Daarover schreef ik in Het huis van de zalmen (2016), een boek waarin ik het ongeluk verplaatst heb naar de Kennedylaan in Gent (het is in dat boek bovendien een aanrijding), maar waarin de beschrijving van wat daarna kwam weer veel meer overeenstemt met wat er werkelijk gebeurde.

Ik schreef ooit een gedicht. Ik heb bij de samenstelling van Om honing gaat het niet getwijfeld of ik dat (wat langere) gedicht ook moest opnemen. Ik besloot uiteindelijk het niet te doen. Het is zo’n tekst waarbij ik twijfels heb over de kwaliteit, misschien omdat hij te dicht bij de werkelijke gebeurtenis staat?

Want dat blijft het merkwaardige van dagen die een datum zijn geworden: dat wat er gebeurde per se méér moet zijn dan iets wat enkel jou overkwam, meer dan alleen maar een persoonlijke ervaring. Het moet betekenis krijgen, betekenis voor anderen op zijn minst. Het is één van mijn thema’s: hoe dat wat iemand persoonlijk overkomt een bovenpersoonlijk karakter dient te krijgen om überhaupt door anderen erkend te worden, opdat anderen het niet met een schouderophalen kunnen afdoen, of als iets wat alleen jou overkwam. (Ik heb hier o.a. over geschreven in ‘De man die nee zei’, een essay over het werk van Jean Améry, waarin deze kwestie op de meest pregnante wijze denkbaar centraal staat (in De inwijkeling, 2002 – het boek, niet deze weblog, uiteraard)). Maar het moet ook betekenis krijgen omdat het niet mag zijn wat het uiteindelijk is en blijft: zinloos en toevallig.

Was het Gods wil? 

‘Marcel,’ vroeg ze, ‘is het Gods wil?’ Dat Angelique dood was, was dat wat God gewild had? Het was een zonnige middag in mei en ik keek uit over de polders, naar de rietkraag in de verte, de telefoon aan mijn oor. (…) Bob had gezegd dat het Gods wil was, zei ze. En de dominee had gezegd dat het Gods wil was. Dat de wegen van God duister waren, had hij gezegd. ‘Wegen Gods hoe duister zijt gij,’ zei hij en hij keek over haar heen naar iets op de muur van het kerkgebouw. ‘O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen.’ Maar was het werkelijk wat God gewild had, dat Angelique zou sterven, zou sterven zoals ze stierf, zoals Bob had gezegd? Marcel? En als het Gods wil was, waarom had hij dat dan toch gewild, waarom moest haar haar tweede kind ontnomen worden (heeft ze dat toen gezegd, haar twééde kind, en heb ik dat toen gehoord?). Wat had zij de Heer misdaan dat eerst het eerste, dan het tweede, eerst haar man, begreep ik, eerst papa, en nu haar dochter, mijn zusje, haar waren afgenomen? Zo zei ze dat: afgenomen, ze waren haar afgenomen. Door wie, door wat? (…)

‘Ach,’ zei ze, ‘wat zit ik hier nu toch steeds over mijzelf te praten. Jij hebt een zusje verloren!’ 

Ik had een zusje verloren (…). Een zusje is geen dochter. Een zusje kan men overleven, een dochter niet. Een zusje is een leegte naast ons, Angelique, een leegte naast mij. Een dochter kan niet mag niet is niet… weg, verdwenen. ‘Hoe doe jij dat, Marcel?’ vroeg ze aan de telefoon, toen, in mei. Hoe deed ik dat, ik die niet geloofde immers, niets geloofde, zei ze, en ik zei: er is geen rechtvaardiging, geen bedoeling, geen reden. Zei ik dat? Er is geen God, mama? Heb ik dat gezegd? Ik zal iets gezegd hebben. Ik zei dat het… misschien heb ik gezegd dat het de blindheid van het lot was, dat de wereld onverschillig is voor onze behoefte aan antwoorden op vragen, dat het ongeluk stompzinnig was en precies was wat het was: een ongeluk. Het. Ongeluk. Pech. Ik heb iets gezegd.

Het huis van de zalmen, p. 179-181

Het fictionaliseren van biografische gegevens dient niet om te verstoppen; het dient om bloot te leggen. Het dient om bloot te leggen wat door het puur persoonlijke, particuliere juist vaak versluierd wordt.

De twijfel of er in dit gedicht voldoende afstand is om iets naderbij te halen, blijft. Het is maar dat ik na dertig jaar in feite nog steeds wacht, in de achteruitkijkspiegel kijk in de hoop dat daar de koplampen verschijnen van haar auto, en ik verhinderen kan dat ze langs mij raast, onbegrijpelijk rechtdoor rijdt en zichzelf lanceert. Omdat de dag voorgoed een datum is en ook voorgoed deel uitmaakt van een verhaal dat zich eindeloos opnieuw vertelt en zich ondanks alles niet laat veranderen, hoezeer je het ook fictionaliseert.

Een gedachte over “De dag die datum werd

Plaats een reactie