Feticu

‘Rouw is een lichaam, liefje,’ schreef ik in Om honing gaat het niet. Het is een regel die precies overeenstemt met wat ik van rouw weet. Ik heb vroeger het schema van Kübler-Ross wel eens bekeken, meer uit nieuwgierigheid dan uit een diepgevoelde noodzaak steun te vinden voor mijn eigen gevoelens na verlies, maar dat model gaat eerder over verwerking en acceptatie dan over het rouwen zelf. De stadia die Kübler-Ross onderscheidt, hielpen me niet, zelfs al schuilt er een zekere waarheid in: ontkenning, woede, onderhandeling, depressie, aanvaarding – zeker, zeker, maar mij bracht en brengt het niks bij. Misschien is het omdat ik niet in genezing geloof. Het verlies is permanent en het verlies is er elke dag, niet continu op de voorgrond, op den duur zelfs niet hinderlijk, maar het is deel van je lichaam en het is dat voorgoed. Als zodanig is het ook niet werkelijk deelbaar, ook al lijkt iedereen op het juiste moment de juiste reactie te vertonen op wat men veronderstelt dat je voelt. 

Ik moet nu denken aan de weken na de dood van mijn zus in 1994. Ik woonde in Groningen in een flat aan de Florakade. Ik zag elke dag schepen passeren door het Van Starkenborghkanaal, schepen die enige dagen daarvoor langs het huis van Arjen Duinker in Delft gevaren waren. We hielden elkaar op de hoogte: De Teuntje vaart hier net langs, de Hendrika-Marie. Mijn moeder belde met een klacht over de vriend van mijn zus. Het ging over persoonlijke bezittingen van haar die hij eerst wel, vervolgens niet meer aan mijn moeder wilde geven, geen zaken van waarde, maar wel zaken met een grote emotionele lading. Mijn moeder vond dat ze op die dingen meer recht had dan hij. Ze vond haar verdriet groter, begreep ik. ‘En wat moet ik dan?’ vroeg ik, ‘als broer?’ Had mijn verdriet ook gewicht? En hadden bijvoorbeeld de vrienden van mijn zus evenveel recht op verdriet als de moeder, de geliefde, de broer? Of was er een hiërarchie? Het leek (en lijkt) me onzin. Maar het maakte me nog maar eens duidelijk hoe ondeelbaar de rouw eigenlijk is. Wat het is om je geliefde te verliezen, wist ik wel ongeveer, maar er blijft een verschil tussen het verlies van je geliefde aan een ander of aan de dood. Over dat laatste wist ik niets. En ik heb weliswaar gezien wat de dood van een kind met een moeder doet, wat de dood van mijn zus met mijn moeder heeft gedaan, hoe verwoestend zoiets is, en ook, inderdaad, hoe blijvend dat verlies is, tot aan de laatste ademtocht – maar wat het wérkelijk betekent wanneer je zoiets aan den lijve ervaart, dat weet ik niet.  

Rouw is een lichaam. En elk lichaam is zichzelf. Alleen.

Ik kwam het in een heel specifieke vorm recentelijk tegen in Gewone Hollandse jongens van Mira Feticu, een boek waarin de dood van de echtgenoot en de rouw over zijn onverbiddelijke verdwijnen een haast louter lichamelijke vorm aanneemt: die van huidhonger, van geilheid, wat niets anders is dan een diep verlangen verlost te worden van wat het hardste schrijnt: de volstrekte eenzaamheid van het lichaam. De heftigheid waarmee Feticu in dit kleine boekje dat verlangen belijdt, maakt dat je in het object van haar verlangen – Benjamin, een jongere broer van haar overleden man – in eerste instantie bijna een slachtoffer wilt zien. Zij als roofzuchtige cougar die de jonge schoonbroer zowat versmacht met haar geile verlangens en daarbij alle grenzen overschrijdt.  

Als ik niet slapen kan, denk ik aan wat ik zou willen doen met jouw haren. Een echt dilemma voor een weduwe die nog steeds een lichaam heeft, het lichaam van een jongere man, nota bene de broer, de jongere broer van haar overleden man. Op alle fronten taboe, maar de huid kent geen taboe. Huid fluistert in mijn oren, 

schrijft ze. En wat verderop (en nog elders, want het staat op bijna elke bladzijde, het roept, het schreeuwt, het kreunt van ellende en verlangen): 

Seksuele uitputting, zegt dat jou iets, Benjamin? Ik ben alleen en ik tel nog mee. Mocht je vannacht of morgen interesse hebben. De dood van je broer heeft me geen beter mens gemaakt, maar ook niet slechter. Alerter. In de middeleeuwen hadden ze mijn neus afgesneden. Fuck them! Drie jaar zonder huid, huidcontact, huidliefde, huidobsessie, huidkoorts, huidovergave, huidorgasme. Drie jaar waarin alleen ik het hol van de slak bewandel. Ik bewandel niet, ik stuur de vibrators op herkenning, soms neem ik zelf de moeite, ik huil zeker elke keer. 

Dit is de taal van de rouw, het lichaam zelf is de wond geworden die door het verlies geslagen werd en het smeekt, het eist om verlost te worden – ik ben zelfs geneigd om te zeggen: verdriet is hier een vulva die letterlijk en figuurlijk gevuld wil worden. Letterlijk, dat is duidelijk genoeg, maar dus ook figuurlijk, want de lust, de agressie die daarbij hoort, het dierlijke willen en moeten is steeds en overal in dit boek het verlangen verlost te worden van een eenzaamheid die niet louter lichamelijk, maar die wezenlijk is – het hele wezen omvat, met huid en haar, met hoofd en hart. Het maakt diepe indruk op me. 

Het maakt diepe indruk op me omdat ik het in zekere zin herken. In mijn werk zitten nogal wat personages voor wie seks op een haast zelfde manier als in deze novelle van Feticu de verlossing betekent uit een als ondragelijk ervaren eenzaamheid van het lichaam. Daniël Winfried Rega uit Het grote uitstel beft zich te pletter in wat een ultieme poging lijkt om volledig op te gaan, bijna te verdwijnen, in de ander, al vindt hij voor dat gevoel nooit de juiste woorden.     

Hij was nog nooit iemand zo dicht genaderd. Nog nooit had hij het gevoel gehad dat zijn lichaam niet langer alleen was, al zou hij het zelf vroeger nimmer zo hebben uitgedrukt of ook maar hebben kunnen uitdrukken – en daarna ook niet. (…) Hij rook en proefde, hij hapte en slikte, hij verplaatste zijn lichaam zo dat hij omgekeerd ten opzichte van Mireille kwam te liggen (…). Maar hij wist het niet, zoals hij van zijn ruiken en proeven geen idee had, geen naam had voor geuren en smaken, al waren ze er wel, was hij zelf geur en smaak geworden, als zoiets kan. Hij bewoog zijn hele gezicht in Mireilles gladde warmte heen en weer, met gesloten ogen, snuivend en blazend, alsof hij naar een mogelijkheid zocht om te verdwijnen, te versmelten met wie hij door zich kwijt te raken pas geworden was. (…) 

Wat in Feticu’s boek ook zeker herkenbaar is, is het besef van de grensoverschrijding, van het taboe. Het blijft eigenlijk steeds onduidelijk of alles wat hier te boek staat ook daadwerkelijk aan Benjamin is gezegd (de suggestie is eerder dat dat niet zo is). In die zin is het bijna jammer dat Feticu aan het eind suggereert dat alles wat ze geschreven heeft maar een hersenspinsel is, dat er zelfs helemaal geen Benjamin heeft bestaan. Het is een manoeuvre die ik alleen kan begrijpen vanuit het garder de maman waarmee iedere schrijver heeft af te rekenen: de blik die anderen tijdens het schrijven over je schouder werpen, eventueel de blik van degenen over wie het zou kunnen gaan, of gewoon van de braaf burgerlijke lezers die weliswaar geshockeerd mogen zijn, maar die tegelijkertijd toch ook enigszins gerustgesteld dienen te worden.  

De pijn, de absolute onverdraaglijkheid van het gemis werkt juist het sterkste als ook het taboe werkzaam is; de, als men wil: waanzin van het verdriet vereist bijna de volstrekte onoorbaarheid van het verlangen. Dat weet Feticu ook, want ze eindigt haar relaas met de woorden: 

Benji, laat je zien en bewijs deze mensen dat je bestaat, dat je van huid gemaakt bent. Benji? Laat me niet alleen, Benji. 

Maar de laatste bladzijden waarin buren en nog anderen, de schoonmoeder, die in het hele boek voortdurend wordt afgeschilderd als een harteloze feeks, en zelfs de politie plotseling een ander perspectief op het hoofdpersonage werpen, van haar zoiets als een doorgedraaide, hysterische vrouw maken (wat ze niet is) en van Benjamin mogelijk een hersenschim – ze doen nauwelijks iets af aan de indrukwekkende wijze waarop Feticu hier rouw heeft verwoord: als een kwetsbaar, licht verwondbaar naar verlossing hunkerend lichaam, als iets waarvoor geen woorden zijn.    

Plaats een reactie