Om honing gaat het niet

De eerste drukproef van Om honing gaat het niet is binnen. Het valt me bij het doornemen ervan meteen op hoeveel belangrijker allerlei meer vormelijke aspecten zijn: de positionering van de gedichten op de bladzijde; al voor de proef gestuurd werd: het lettertype; maar ook de breedte van de bladzijden (kunnen de langere regels er volledig op, bijvoorbeeld?). En hoe zit het met de langere gedichten; wat gebeurt er met strofen die door de grootte van de bladzijde afgebroken moeten worden en op de volgende pagina doorlopen. In de bundel staat bijvoorbeeld het lange gedicht ‘De val’ (al uit 1992), dat vier pagina’s in beslag neemt. En wat doe je met de positie van de eerste regel van elk gedicht wanneer er gedichten tussen staan die een opdracht of een citaat (of een opdracht én een citaat) mee hebben gekregen, waardoor de eerste regel van het gedicht plotseling veel lager op de pagina staat dan bij de andere gedichten het geval is? Trek je de positie van die eerste regel dan in elk gedicht gelijk? Dan ontstaat er bij veel gedichten veel witruimte tussen titel en eerste regel.

Tegelijk met de drukproef: zorgen over de presentatie. Ik vind nog steeds dat elk boek gepresenteerd moet worden. De Minard ga ik niet weer afhuren (daar ben ik bovendien al veel te laat mee), en de suggestie is nu dat de presentatie gewoon in boekhandel De Limerick gaat plaatsvinden. Tegelijk wil ik het toch weer wat meer laten zijn dan praatje, interviewtje, voorleesmoment, drankgelag. Ik heb contact opgenomen met Frans Grapperhaus. Maar werkt dat: cello (en gitaar, en zang) in de toch beperkte ruimte van De Limerick?

Ik maakte alvast een filmpje — geen trailer, daarvoor is het fragment veel te lang — met het gedicht waarin de titel van de bundel voorkomt. Op een trailertje bezin ik me nog.

Het is intussen een vreemde ervaring: plotseling weer een dichtbundel te hebben. Ik meende (heb zelfs op publieke plekken gezegd) dat ik van het dichterschap wel min of meer afscheid had genomen. In de 32 jaar sinds mijn vorige bundel (Wade, 1991) schreef ik wel af en toe, meestal op verzoek, een gedichtje, maar aan een bundel dacht ik niet. Tot ik in de marge van de dag plotseling weer wat meer gedichten begon te schrijven, zonder ook maar de geringste ambitie er verder iets mee te doen – al plaatste ik er wel eens een op Facebook – en mensen in mijn directe omgeving begonnen te zeggen dat ik dringend een bundel moest maken. Ik maakte allerhande wegwerpende gebaren, hield nog op andere manieren de boot af, vanuit een verlangen misschien ook mezelf niet onder druk te zetten. ‘Dichter’ zijn is ook meteen deel uitmaken van ‘de poëzie’, van de discussies daarrond (hoe gemarginaliseerd ook), en ik had geen zin om zelfs maar na te denken over wat ik nu precies met die poëzie wil. Niet omdat ik dat nadenken bij anderen zou afwijzen, maar ik wilde (en wil) er zelf blijkbaar geen deel van uitmaken. (Nu de bundel verschijnt, zal dat wishful thinking blijken te zijn; áls er besprekingen volgen, maakt het werk vanzelf onderdeel uit van dat nadenken over poëzie).

Anderzijds: proza, poëzie, essays zelfs – voor mij hoort het allemaal samen. Ik had, toen ik dacht geen poëzie meer te zullen publiceren, nooit het gevoel dat daarmee mijn dichterschap (om het deftig te zeggen) voorbij was, zoals ik nu dus nu niet het gevoel heb ineens weer een dichter te zijn. Die poëzie hoort bij mijn auteurschap. In de gedichten keren ook thema’s terug, scènes zelfs, die al eerder in proza voorkwamen.

Een leuke bijkomstigheid voor mezelf is wel dat deze derde dichtbundel precies 35 jaar verschijnt na mijn eerste, mijn debuutbundel. 1988-2023, dat klinkt toch al een beetje.

2 gedachten over “Om honing gaat het niet

Plaats een reactie